Lekkere Natte Doos

Vette Kut Neuken

Vrouw pijpt jongen vingeren nat

vrouw pijpt jongen vingeren nat

Sex met dronken vrouwen slet zoekt man

Daar stond ik dan op een zaterdagmiddag voor de deur van een wildvreemde man. Een man die mij sinds tijden het hoofd weer op hol bracht, waar ik het warm van kreeg. De deur ging open en ik keek recht in de mooiste ogen die ik ooit in mijn leven heb gezien.

Wat was hij leuk! Voordat ik het wist, stonden we hevig te zoenen midden in de woonkamer. Met die opwindende kus verdween ook meteen al mijn verstand. Hij was de enige die er nog toe deed. In tijden had ik me niet meer zo begeerd gevoeld. Ik zat dan ook helemaal verdwaasd, dik een uur later, weer in mijn auto. Wát was dit geweldig. Nog geen seconde later verscheen zijn naam in mijn telefoonscherm: Mijn dag kon niet meer stuk.

Het was het begin van een affaire die nog steeds geen einde kent. Ermee stoppen lukt gewoon niet. Natuurlijk zijn er wel momenten waarop ik me heel schuldig voel tegenover mijn man, maar tegelijkertijd wil ik mijn minnaar ook niet missen. We hebben fantastische seks, maar ook echt een hele goede klik. In een hotel, in de auto en zelfs een keer bij mij én bij hem thuis.

Alleen dat houd je allebei niet vol. We hebben een relatie, werk en sociale contacten. Dus nu zien we elkaar ongeveer één keer in de maand, maar die keer dat we elkaar zien is het altijd geweldig. Hoef ik even geen moeder te zijn, of hardwerkende vrouw. Bij hem kan ik gewoon even Ellen zijn. Ben ik een vrouw die wordt begeerd. Hij heeft mij echt zoveel zelfvertrouwen gegeven. Door hem heb ik mezelf weer teruggevonden.

Daar zal ik hem altijd dankbaar voor blijven. We hebben zoveel gedeeld samen. Lichamelijk, maar ook geestelijk. Je hebt natuurlijk ook niet voor niets een jaar lang een affaire met iemand. Dat doe je niet met de eerste en de beste. We hebben vanaf het begin afgesproken om het bij een affaire te houden.

We hebben allebei zo'n ander leven en - hoe stom het ook klinkt - we willen toch onze partners niet kwijt. Maandenlang heb ik een vriendin veroordeeld omdat ze vreemdging. Nu doe ik het zelf! Als mijn omgeving het zou weten, zouden ze steil achterover slaan. Ik ben totaal het type niet om zoiets te doen, maar dat bewijst: Natuurlijk wil ik affaires niet promoten, zeker niet, maar als het je dan toch overkomt: Het gebeurt meer dan je denkt.

Iedereen kan wel een oordeel over je vellen, maar dit oordeel mag je pas vellen, als je het zelf hebt meegemaakt.

We moeten kijken of ons huwelijk nog te redden valt. Voorlopig zal ik mijn minnaar in ieder geval nog wel blijven zien. Ik zou hem nu echt niet willen missen in mijn leven, en hij mij ook niet. Dus zolang het voor ons allebei goed blijft voelen, komt er nog geen einde aan. Haar mond was wak en rood: En hij meende dat hij het haar zegde, maar hij zei het haar niet.

En toen zweeg zij een beetje. Maar toen lachte zij niet meer, en zij sprak:. Ik ben uwe Oogen. Ik ben nochtans altijd bij u geweest, vermits ik uwe Oogen ben. Maar gij wordt oud, mensch, en daarom vergeet gij mij. En gij zegt daarom, dat gij nooit uwen wél hebt gehad, Nand.

Gij zijt maar een klein boerke geweest, een koe-houderke met één beeste, en 't is nu al vijf jaar dat gij geen beesten meer hebt, omdat gij in den heerd zit met uw pijpe en geen land meer hebt. Maar gij zijt altijd een goede boer geweest. Te weke zaagt gij niet veel, niets dan uw plekke werk en uw schotel eten, en gij moest peinzen op wat te doen was.

Maar 's Zondags na de Hoog-mis, dan gingt. Gij zaagt de lucht, en, was zij blauw, daar waart gij blij om, als het niet te lang had gedroogd. Maar als de droogte te lang had geduurd, dan waart gij blij zoo de lucht een smak regen beloofde. Dat hebt gij den Zondag gezien; want in de week werkt men. Dondertorens in de lucht zijn het teeken van een onweêr; maar als het graan niet te hoog staat, kan het daartegen. Ter contrarie, 't is er goed voor Maar 't is vooral uw land dat gij gezien hebt, den Zondag.

Het lag rond en hoog, maar dat is goed voor den afloop van 't water. Ter vroege lente ziet gij de aarde nog tusschen de sprietjes van 't graan; maar te Meie komt er, slap, het aar al in en gij zijt voldaan. Maar het is triestig als gij den kop van de aard-appels zwart-gebrand ziet van den vorst, in dat seizoen; maar het is nog vroeg in het seizoen, en zij kunnen nog weêr in nieuwe scheuten uitloopen Als dan de zomer komt, dan is 't weêr wat anders dat gij ziet.

Den Zondag-ochtend wandelt gij tusschen de koren-stukken. Gij ziet dat de rogge geel is en als een pisse; maar de tarwe is, een beetje later, rood gelijk bier. De aard-appels staan ook in bloem, wit of gelijk de malven die in natte hoeken groeiën. Op dien tijd ziet gij het water ook, omdat het effen is, en blinkt. Want het is de tijd dat niets zich voor de zon kan wegsteken. Het is de tijd van de zonne-bloemen bij den mesthoop, en, aan de achter-deur, de dahlia's zoo groot als kinder-hoofden In den komenden herfst kapt men de aard-appels; den Zondag, na 't lof, komen daar de koeiërs in hun Eerste-Communie-kleêren, en ze maken vuurkens van het loof, om er pataters in te braden.

De rook dan gaat liggen in lange slierten over het land. Dat ziet gij tegen den avond zoo, als ge een partijtje gaat jassen Daarna wordt er geploegd, en 's Zondags ziet gij het werk van het groote paard, en de aarde die in vette, purperen schellen gekeerd ligt.

En dan hebt gij gezaaid met uwe zaai-schorte aan, met wijze grepe en breeden zwaai, en den vasten stap van wie zijn eigen land bezaait. Gij hebt het zelfs den Zondag gedaan, want men moet den tijd nemen als hij komt, en 't werk dat men geerne doet Worden nu de bieten gerooid, dan staat de winter voor de deur.

Gij hebt het dikwijls genoeg gezien, van de boomen die zwart stonden van de natte, en van de kraaiën die roeiën door de lucht, en op het wepele land aan 't azen. En dan is 't sneeuw, de groote, breede sneeuw op de aarde en aan de daken. Een boere-mensch heeft dan geen werk meer dan een beetje in huis en in de schuur. Maar door het venster ziet gij den sneeuw onder den looden lucht, den witten sneeuw die gelijk blauw wordt van achteren Gij hebt de stad gezien, en vele herbergen, als gij naar den markt gingt om uwe kalvers te verkoopen met hun hooge pooten, en de naakte ronde plekke op hun voorhoofd als een heilige hostie.

Gij hadt altijd van die kleine, Bretonsche koetjes, en gij ziet ze nog staan op uwe stal, of als uw jongens ze leidden langs den grachtkant. Op den markt hebt ge eens een trek-hond gekocht.

Het was een machtig beest, een gele gelijk bij de been-houwers. Op weg naar huis sleurde hij zóó aan de koorde, dat gij al den tijd hebt moeten draven. Gij zaagt toen, dien zomer-middag, hoe het stuiven kan als men loopt. Al de looverkens wiebelden aan de Canada's langs de baan. Men is er maar op zijn gemak in de keuken. En gij hebt ook de expositie van Brussel gezien, en gij weet het nog heel goed, van den duizel in uw hoofd en de moeite in uw beenen En dan, - hebt gij het dan vergeten, Nand?

Gij hebt toch uw wijf gehad, uw Wanne. Ge waart gij nog niet lang weêr van den troep. Uw vader leefde nog. Op 'nen ochtend in het voor-jaar hebt gij ze eens gezien, dat ze afkwam. Er was zoo maar een frissche wind.

Al heur haar vloog weg op haar voorhoofd, want zij had allemaal van die fijne krullekens. Op haar lijf en op hare beenen deed de wind haar kleêren naar achteren waaien. Zij lachte gelijk; zij was rood gelijk een kool. Dan zijt gij gelijk begonnen met haar gaarne te zien. Gij zijt er meê getrouwd. Zij heeft u kinderen gegeven als pioenen. En zij is altijd toch een goed wijf geweest Nand, gij hebt nooit uwen wél gehad? Vergeet gij dan Wanne-de-vrouw? En de kinderen dan?

Gij hebt ze allemaal zien groeiën. Het waren gelijk bloemen, gelijk pioenen. Domien is een beetje te vroeg getrouwd, maar hij is toch devoorig. Hij is in Amerika. Zijn kinderen hebt gij niet gezien. Maar de kinderen van Bertha kent gij allemaal. Zij is een proper wijf, en ze is óók devoorig met hare elf kinderen.

Gij weet toch wel dat het oudste Nandje heet? En Nand zei bij zich-zelf dat hij het wist, van Nandje. Bertha was nog altijd bezorgd om hem, van alle weken nog eiërs te brengen voor hem. Zij had veel kippen. Haar man prutste aan het kippenhok den Zondag. In de week werkte hij in de stad.

Men wint er toch veel meer dan op den boer. Maar Bertha was óók brave. Was dat nu Bertha die bij hem stond, of was het Nandje? Ja, van zijn kinderen had hij geen klagen gehad. Van zijn wijf ook niet, bijlange niet. Een mensch mag niet pochen, maar 't was hem altijd toch nogal meêgegaan, met de beesten en met het land.

Niet-waar, Bertha, gij weet het toch, niet-waar, kind? Bertha, waarom antwoordt gij mij niet? Hij wilde zich een beetje omdraaiën. Maar hij moest niet. Hij zag zónder zich om te draaiën. Het was Bertha niet. En 't was 't meisje ook niet met de versche schorte. Maar daar stond nu weêr een ander vrouw-mensch. En zij deed met deftigheid hare oogen open en toe gaan. Haar aangezicht was heel wit, maar gij zaagt niet hoe het er uit zag. Maar dat geeft er niet aan. Zij was geheel in het zwart gekleed, gelijk Marie Burgemeester's als zij 's middags achter 't gordijntje zit van de koele voor-kamer, met een hand-werkje.

Men ziet haar niet zitten als men het niet weet. Zij is niet jong meer, en zeer deftig. Déze hier zag men ook niet goed, met haar kleed zonder schort. Maar men hoorde haar spreken met een diepe stem, gelijk het orgel in de kerk als het stillekens speelt met zoo een béverik. Zij sprak met een klein mondje, gelijk de pachter-dochters die in 't pensionaat hebben gelegen. Zij deed altijd hare oogen open en toe: Hij deed zijne oogen óok toe, en 't was nu alleen nog het schoone blauwe duister.

Hij moest er een beetje bij lachen. Maar hij moest tóch luisteren, omdat het deftig was wat ze zei, en schoon gelijk een bevend orgel onder de consecratie. Nand, man, ik ben uwe Ooren. Ik ben dat altijd geweest, al wist gij het niet. Maar ik neem u dat niet kwalijk, omdat gij uw gehoor toch altijd goed hebt gebruikt. En gij hebt er plezier van gehad, doet gij niet? Peins er 'nen keer op: En 't en is maar de Maandag-ochtend, als uw hoofd nog wat zwaar was van de pinten bier, dat gij níet te luisteren laagt, en 's winters, als gij niet vóor den klaren op moest, en de haan putten kraait in den nacht: Maar als gij zoo, in 't voorjaar, te wachten laagt naar 't gekraai van den haan, dan was daar al éen vogelken dat u van zingen wakker hield.

Nu zijn ze daar met honderd vogels aan 't vechten en roefelen in de boomen, terwijl de dauw er uit neêrpletst. Uw wijf haar rokken slaan rond haar. Terwijl ze koffie zet zijt ge al op 't hof. De koe trampelt in haar stroo; de geite schuurt haar huid aan den stal-muur; de snuit van het zwijn heeft een nat gesnork onderaan de halve-deure.

Gij gaat weêr naar huis toe. Uw wijf staat in het deur-gat en zij roept: En gij hoort dat allemaal, en gij hebt er deugd van, omdat alles zoo goed gaat. Van bij slijt-tijd tot na den haver-oogst moet gij vroeg op de. En op de baan hoort gij hun galmenden stoet, van de werklie, terwijl het nog duister is in de huizen.

Zij blijven bij wijle staan, en 't is een lange schoone roep om, onder weg, de makkers te vermanen die nog niet buiten gekomen zijn. En waar zij gaan in de wegels, daar suizelt het vlas, of doen zij van hunne handen het graan hard ruischen en schudden. En 't lijdt geen tijd, of daar ploft zingend de pikke; gij luistert hoe de zet-steen zindert alover het staal, en van verre het pleizierige hamerken klopt.

Gij hebt zoo'n haast niet, al heeft de haan een tijdeke gekraaid. Gij kunt nu wat later in huis blijven, en gij lanterfant. Nu hoort gij beter de geruchten van binnen-huize: Dan gaat gij in uw schure dorschen, en de vlegel ploft matelijk en met een blij geweld.

Of er moet gewand, of, door de zeef die aan den zolder hangt, gezeefd; en dan hoort gij de graan-korrels hagelen op den zeildoek. In 't kot daarnaast snorkt zuchtend het varken. Op de dilte zitten, achter hun schot, de duiven, die trappelen en roekedekoeën. Aan tafel wordt niet veel gezeid, omdat men eet. Maar 't is Mei, en daarom komen. Zij komen te noene, omdat de boer dan óók thuis is. En is het liedeken 't einde, dan krijgen ze hunne twee eiërs. Maar 't is maar nadat het hooi gestapeld is, dat de lavei-tijd komt.

Gij ligt op uw buik in 't koude gras; op uw buik vanwege de hommels. Zij snorren aan uw oor dat het wreed is. Gij kunt er eerst niet van slapen, maar ten leste snorren zij u in slaap. En dan hoort gij het snorken niet meer van de anderen, die daar liggen in den boom-gaard, maar gij snorkt zelf zóó luid, dat gij er van wakker schiet.

Wat later gaan de jongens met gaffels slaan, of met lange boonestaken peuteren in den notelaar, 'dat het dicht gebladert er geweldig van reuzelt, en de noten neêrtuimelen als bolketten. En 't zal de tijd gaan worden dat, als gij eet, op stal de koe om eten zal staan beurelen. Want de beesten zullen nu binnen zijn, om de natte, en dat het winter wordt. Gij zijt er gauw bij; gij hoort het haar afroosteren; gij hoort den harden schrobber over de huid; gij hoort het vele pletsen van water.

Als 't open beest aan de ladder hangt, moogt gij gaan eten, en morgen-Zondag zullen het karbonaden zijn. Nand-mensch, wat het is, als het zoo al stillekens naar den zomer gaat, 's avonds, en gij al wat aan de deur kunt zitten met uw pijpe? Evarist kwam al voor uw Bertha. Gij kondt hem goed verdragen. Hij was metsersknape, in de stad, maar hij dronk niet. De drank, daar moet alles van kapot; een druppel na de Hoog-mis 's Zondags, en 's avonds een paar pinten onder 't jassen: Als gij jong zijt, dan is dat wat anders: Met den avond kwam hij uit stad, in de verte wit van kalk, op zijn velo die zachtekens nader-ratelde.

Hij ging dan wat hurken tegen een appelaar. Bertha breidde naast het deur-gat dat de priemen er van knetterden tegen-een. Zij koutten heel zoetekens. Bertha lachte 'nen keer, dat het gelijk een klaarte was. En de koeiën kwamen terug uit de weide, stil al beurelende Gij, gij kroopt den varken-stal in. Wanne, uw wijf was er al; zij had óók al de zeug hooren kriepen, zuchten en klagen.

Gij staakt den bol-lantaren aan: Maar gij zijt met Wanne gebleven, en gij hebt zelfs fluisterend een partijtje kaart gespeeld, zoo in het stroo. Dan is verder alles goed verloopen; zij heeft nog wat korte gilletjes gehad; haar voorpooten deden stampend het stroo kraken; toen heeft zij alleen nog wat gegrold, en hare jongens snuffelend met haren natten snoet betast.

Zij had er veertien. Wanne is nog wat bij haar gebleven om te zien of zij niet kwaad. Gij zijt buiten gegaan. Heel de hemel zong luide van een nachtegaal, waar gij wel heel uw leven zoudt naar luisteren Al de vijvers van 't kasteel krijschen van vorschen; 't is of die beesten gaarne bij rijke menschen wonen.

Bij de armen is het de krekel, de klapperende krekel, die al niet ver meer van zijn winter-woonste toeft. Te Sint-Jan kraaiën de kinderen als jonge hanen. En later, al het graan gepikt: Nu zwermen al de fijne muggen, de muggen als een vliem. Gij zit binnen-huis, in den naderenden donker, en de nijdige wind blaast onder de deur tot tegen de pijpen van uw broek. Gij hoort hem kolken in de schouw en schudden aan de stal-deuren.

Hij kan jammeren als een vrouw in de pijnen, en razen gelijk de champetter als hij zat is. En hij is niet nog 'nen keer zat! En de kinderen luisteren. Maar zij stellen zich gerust met schoolke te spelen.

Gij hoort dat Bertha matelijk slaat met een stok op de achter-deur, waarop de andere zeggen: Maar gij hoort uw vrouw die zegt: Ik weet het wel, dat kan geen kwaad, en alles is binnen. Maar als gij bij de beesten moet zijn, die onrustig worden vanwege de avond-kost, dan moet gij een baal-zak over uw veste leggen, en uw klompen hoort gij soppend kletsen. Maar de schoone tijd dan van zang, vanaf Kerstavond tot Drie-Koningen! Ik zie het, Nand, aan uwen mond: Want niet-waar, Nand, peins er 'nen keer op, mensch: Ik weet het wel, gij zijt gij geenen groote boer geweest, maar een mensch is een mensch, en hij heeft toch pleizier van zijne ooren.

Gij zijt gij wel niet meer dan een koehouderke geweest, maar Met al haar woorden van mijn ooren is 't gelijk een spinnekop die in mijn hoofd zou rond-loopen. Ja, 't is precies alsof ik niets anders dan mijne ooren had, is het precies alsof ik niets anders dan mijne ooren had. Is het niet precies alsof ik? Hij probeerde er orde in te brengen. Hij wilde het met zorg. Hij hoorde die Marie Burgemeester's niet meer. Hij moest met aandacht zeggen: Maar zijn schrik was al even-gauw opgelost in een soort van klaarte.

Hij moest zijne oogen niet open-doen om heel goed te zien. Maar wat hij zag maakte hem weêr wrevelig. Was dat die kleine smotse niet van aan den bosch-kant? Maar daar lag nu half over hem, dat het zijn klaarte haast benam, die slonsige dochter van den schoen-lapper aan den bosch-kant, die ook klompen snijdt uit sappig hout, en in den winter Kruis-Lieveheerkens maakt in apothekers-fleschjes.

Maar gij moet hem zelf de fleschjes brengen. Maar, dat mocht hij zeggen: En nu moest hij er om lachen Waar kon ze nu wel zijn, vuile Zulma van aan den boschkant? Maar zij lag daar half over hem, en haar kleêren vol aarde aan haar lijf geschoten, twee drooge blaêren in haar stoffig vlas-haar, hare twee handen aan weêrs-kanten van zijn warm hoofd, en die rood waren als vleesch. Zij rook in hare rokken naar pek en natten bosch-grond.

En dat rees in Nand zijnen neus, dat hij moest zeggen: Maar hij moest het niet zeggen. Want zij rechtte zich, en hij zag de volle klaarte van haar gelaat en de klaarte rondom haar gelaat, dat oolijk was; en zij lachte weêr gelijk een kalkoen, en zij antwoordde al:.

Ben ik uwe Neus niet, dan? Ja, Nand-jongen, uwe Neus, dat ben ik. En gij kunt gij niet zeggen dat wij geen pleizier hebben gehad! Maar hij luisterde met welgevallen naar die zotte Zulma die vertelde:. Gij waart gij zeker nog geen drie jaar oud. De hond had jongskens, en gij hebt dat eens willen zien.

De hond was weg met uw vader, aale voeren in een vat, onder een zijpenden dweil. Gij zijt in het kot gekropen, en gij weet nog hoe het daar rook, heet en reeuwsch als van opgestapelde ossen-huiden in de schuur van groote boeren, en zuur ook als van oude melk. Dat wist gij toen nog niet, maar gij rookt het, en nú weet gij het.

Gij zaagt de honde-jongens niet liggen; maar gij zat in dat warm en donker kot, op 't korte, stofferige stroo van de teef, en dat walmig geurde. Gij vondt het daar goed, en gij hebt u een beetje neêrgelegd. Toen is daar in dat hok. Gij zijt bang geworden; gij zijt naar buiten gekropen. De hondjes al sleepend op hunnen buik, zijn u gevolgd. Aan den ingang van het kot zijn zij blijven liggen, op den vetten flank, de oogen toe, de mondjes naar lucht happend.

Van als gij naar school gingt, weet gij nog het haar van den meester. Hij had een wit pap-smoel, maar den Zondag deed hij pommade aan zijn haar.

Hij leidde de kinderen naar de Hoog-mis. In de kerk zat gij naast hem. Gij zaagt zijn haar, dat blonk. Het rook gelijk naar rooskens en naar azijn. Op 't kerk-hof was er een hoekske; 't was de tijd van uw Eerste-Communie; 't is in dat hoekske dat gij altijd kwaamt met uw makkers, om te fezelen en te konkelfoezen; er groeide daar een dichte foefeling van paarde-bloemen, die 's avonds stonken als katte-pisse. En, weet gij het nog, Nand? We hebben wij samen onze Eerste-Communie gedaan.

Ge zat gij altijd naar mij te kijken onder de leering, alsof gij kwaad waart op mij. Gij hebt eens op mijn rokken geslagen met uwen kloef. De pastoor rook naar snuif en de kerk naar koele karnemelk en naar kaarsen. Maar op een avond hebben wij elkander ontmoet aan den bosch-kant. Wij zijn er in gegaan. Het bosch rook naar terpentijn, om de stoven meê te kuischen. Wij hebben ons gelegd.

De varens roken naar peper. Daar liepen rond ons wel duizend beestjes op den grond, en die roken naar mei-kevers, als gij er goed aan riekt. En Nand, gij rookt, gij, gelijk naar kaas Als gij naar den boer zijt terug-gekeerd, waar gij koeiër waart, zijt gij maar dadelijk naar uwen polk gegaan, in den stal, zonder goên-avond te zeggen.

Gij waart ijl in uw hoofd en uw hart dwaalde een beetje. De koeiën geurden log. Gij hebt gedacht aan mij, en gij hebt niet kunnen vinden naar wat ik rook. En dan hebt gij Wanne gevrijd, Nand. Gij hebt wel een beetje boven uwen stand gekeken, maar gij kwaamt van den troep terug, en gij waart geen leelijke jongen. In 't voor-jaar gingt gij langs de omgeploegde stukken; daar stond te wachten op den anderen dag de tonne met beer, die rook gelijk een bruine bezie.

Wat later in 't jaar waren het de linden, die geuren zuur en zoet; het was aan ieder arme-menschen-huizeke de vlier-struik die gelijk ademt; het was, bij dat al, het hooi dat walmt gelijk een pijpe goeden tabak van uit de stad. Wanne haar moeder kookte den koe-ketel, waar de aardappel-schillen te allen seizoene denzelfden geur hebben.

En Wanne rook niet dan naar room. Maar als het kermis was, en heel het dorp rook naar wafels en warm bier en naar feestelijke karbonaden, dan gingt gij dansen met haar in de tente,.

Gij zijt getrouwd, en zoo gaat de tijd voorbij, mensch. Ge hebt gij hard moeten labeuren. Gij hebt gehangen met uw heet hoofd in 't gloeiënde koren, geweldig aan het pikken, en uw brandend hoofd geurde als een zeer groot rogge-brood. Gij hebt uw rugge dan gerecht in de lucht, om 'nen keer te drinken, en 't koele water heeft door uwen mond gevloeid als munte. De zatte hommels sloegen uw naakte en blinkende borst aan, en ze geurden naar van alles, en 't was ook gelijk naar warm roggebrood.

Ajuin-saus riekt gelijk ajuin-saus, die veel zuurder zou zijn. Gij naamt uwen jongste op den schoot, die rook gelijk boter-doeken. De anderen roken naar zure appelen, naar den mesthoop of naar de duiven-til, al naar zij gespeeld hadden. Toen zij grooter werden, was daar uwen Triphon. Hij heeft nooit goed willen deugen. Als hij vijftien jaar oud was, droomde hij van niets anders dan van eenen velo.

Hij was op stiel bij den smid. Hij rook toen naar lijn-olie en wagen-smeer. Maar Bertha heeft altijd frisch naar de zeep geroken Gij gingt toen nog een beetje buiten zitten, Nand. Ge zat gij in de lelies, en zij gingen rieken gelijk uw pijpe; maar uw pijpe rook gelijk een beetje naar de lelies.

En als de kinderen dan naar bed waren, en ook Wanne zou gaan slapen, en hare armen roken nog naar den afwasch, en haar jakke rook altijd gelijk naar gist: Maar gij hebt u opgepakt, en uit het kot uw sleep-net gelangd, en uwe klakke opgezet. Gij hebt uw net geworpen en gewacht. Daarboven was een windeken, dat naar de koude boomen geurde uit de over-Leische boom-gaarden.

Maar in de ponte, zoo dicht bij het water, dan geurde het van eene zwoele en kleiterige rotheid die gelijk op uw huid blijft plakken. En ge moet daar niet al te lang blijven zitten, op dat water, want een mensch krijgt er pijn van in zijn kop, van al de drassen die gij meê ophaalt en die rieken naar modder. En wat haalt gij dan nog op? Wat pierkens van alen; een grondelinkske nu en dan; en zit er al 'nen keer een baars tusschen, dan hoort gij hem al weêr in 't water plonzen nog vóór het net geheel boven is En zoo wordt een mensch oud, Nand, mijne vent.

De kinderen waren groot en gij moest gij al niet veel meer van uw hof gaan. En daarom kond't gij zoo goed niet meer slapen, binst den nacht, dan in den tijd van 't labeuren. En dan, en dan, de muggen kwamen u stekken, nietwaar? Maar gij streekt uw wezen en uw handen vol petrol, en zoo bleven zij van uw lijf; maar dan was het Wanne die u wakker hield, omdat zij wakker werd van den stank, en morde.

Alsof gij ooit hadd't opgespeeld omdat zij zoodanig kon zweeten, 's nachts, dat heel het bed er van rook. Maar gij zeid't gij niets; gij schooft gij eenvoudig wat op En Zulma lachte weêr, stillekens. Maar Nand dacht niet meer aan Zulma. Hij dacht aan Wanne. Hij weet het nog heel goed: Altijd maar van riek en 'n proef niet!

Nand verschoot daar niet bij: Want het was Boldina van den pastor: Daarbij, Nand lag te goed nu, om zich over iets te verwonderen.


vrouw pijpt jongen vingeren nat









Sexkontakt shemale sex nl oma


vrouw pijpt jongen vingeren nat