Lekkere Natte Doos

Vette Kut Neuken

Pjes gratis geile snee

Ik bedacht het eenvoudig in een enveloppe te doen, en 't door het zoontje van de juffrouw hem te laten brengen. Maar natuurlijk zou hij dadelijk begrijpen, dat 't van mij kwam, en, niet vermoedend van hoeveel weifelen en strijd dit couvertje zonder een woord er bij de uitslag was, zou hij er misschien een zelfgenoeg- zame hoogmoedigheid in zien, en, weerloos-bezeerd, mijn grove gevoeligheid verwenschen. Als ik me maar voor een familielid van hem durfde uitgeven, een oom, een neef, een oude erftante des- noods Maar ik wist absoluut niets van zijn om- standigheden af; ik wist niet, uit welke stad hij kwam en niet, of hij broers en zusters had; alleen had ik op zijn schoorsteen het portret van een mooie vrouw zien staan, die ik zijn moeder noemde, omdat in haar oogen hetzelfde berustende heimweh lag, als in de zijne, en ik ook de lijn van het voorhoofd en den neus meende te herkennen.

Waarom hij dit geld opeens zoo noodig had; waar- om hij het niet aan zijn vader vroeg, — ik wist het niet, en ik wilde het niet weten. Het speet me alleen, dat ik 't nu niet waagde, hem de som onder den naam van een broer of zuster toe te zenden, omdat ik niet wist, of die bestonden. Eén plan was er, verleidelijk boven alle andere, dat telkens weer voor mijn verbeelding oprees: Maar juist de overstelpende vreugde, die mijn hart vervulde, bij de gedachte alleen al aan deze mogelijk- heid, gaf mij de overtuiging, dat ik hem dit niet voor- stellen mocht.

Want wat hij mij zou geven, — den rijkdom van zijn diepen geest en zijn edel gemoed, — waren schatten, die met geen goud ter wereld te betalen zouden zijn, en het leek me verraad hem in dezen tijd van zorgen aan mij te binden op een wijze, die hij, toen hij vrij was, niet zelf gekozen had. De middag gleed onhoorbaar langs, en ik vond geen plan, dat me bevredigde. Ik huilde van woede, omdat het geld in mijn la lag, en hij toch zijn lieve boeken zou verkoopen, en er verdriet over zou hebben, omdat ik zoo stomp was.

De juffrouw kwam om te dekken; ze stak het licht aan, pookte de kachel op, en wilde de kamer vroolijk en gezellig maken. Maar ik vond dat, in mijn verslagen- heid, een ongepaste luxe, stuurde haar de kamer uit met de meedeeling, dat ik dien dag niet eten wilde, en nam het bankbiljet uit de la van mijn bureau. Ik wist, dat, als ik nu nog lang weifelde, het te laat zou zijn en ik het me eeuwig zou verwijten.

Toen scheurde ik een papiertje van mijn bloc-note, en schreef staan- de, ineens achter elkaar: Ik hoop, dat je het zult willen doen.

Anders wil ik je liever niet meer zien. Het was voor het eerst van mijn leven, dat ik daar zat, met mijn armen over mijn borst en mijn lippen geklemd, in die opperste spanning van verbeiding, die in de belangrijkste jaren van een vrouweleven haar belang- rijkste bezigheid pleegt te zijn. Tot dien gedenkwaardigen avond was ik een leven- dig, belangstellend, ijverig en bereidwillig kind ge- weest, dat van boek naar boek greep, van les naar les snelde, maar dat te onberoerd was van hart, om werkeloos-wachtend neer te zitten in de schemering.

Nu was voor het eerst een mensch me zóó na getre- den, dat een woord van afkeuring van hem voor mij rampzaligheid, en een woord van lof geluk beteekenen zou.

Ik hield mijn handen tegen mijn hart gedrukt, om met verbazing zijn bonzen te voelen, en ik trachtte de zinnen terug te vinden, die ik hem geschreven had. Mijn God, was het niet alles verkeerd geweest? Was niet elk woord er naast? Had ik hem niet nog eerder het geld zonder iets er bij kunnen zenden, dan zoo'n verwerpelijk briefje? Nü wist ik pas, wat ik had moeten zeggen; nu had ik eerst den goeden toon, eenvoudiger, hartelijker, met minder pretentie. Zin na zin wond zich af in mijn hoofd, verleidelijk-luchtig, eerlijk-overtuigend, schuch- ter-fijngevoelig; het werd een obsessie telkens weer 20 hetzelfde begrip in nóg simpeler, nóg smeekender woorden te kleede»..

Hij zou me zoo dom vinden, hij zou me zoo minachten; en ik had niet eens gezegd, hoe mateloos mijn vereering voor zijn hoogheid was Na een uur werd er gebeld; ik wist, dat hij het was.

Op dat oogenblik was ik er van overtuigd, dat het voor hem veel dragelijker geweest zou zijn, al zijn boeken te missen, dan mij iets schuldig te wezen, en in schaamte over het verdriet, dat ik hem had aan- gedaan, door zijn trots niet meer te ontzien, sloeg ik mijn handen voor mijn oogen, en bleef ineengedoken zitten. Hij kwam binnen, vlug en stil als altijd. Hij liep zacht op me toe, trok mijn handen van mijn gezicht en hield ze vast en hevig in de zijne; ze waren nu beide zoo veilig geborgen, dat ik glimlachte, ondanks al mijn angst.

Ik keek langzaam naar hem op; zijn oogen blonken, maar er was een pijnlijke trek om zijn mond, en zijn stem klonk bijna verwijtend, toen hij zei: Het is zóó lief van je bedacht. Maar het is verschrikkelijk, o, je wéét niet, hoé ver- schrikkelijk het is, om geld aan te nemen van een meisje.

Dan mocht ik altijd bij je blijven, en alles voor je doen. Als ik een jongen was. Ik 21 heb er al zoo lang naar verlangd, maar bijna niemand heeft hem.

Hij vroeg mijn meening over een studie, die hij kort geleden gepubliceerd had, en ik, die zijn werken evenmin voor gewoon-menschelijke kritiek vatbaar 'achtte als den bijbel, stamelde: Zeg het maar eerlijk. Kon ik hem zeggen, dat het lezen van zijn werk voor mij was als een onder- dompelen in een sterkend bad; dat ik bij ieder woord hoorde, hoe zijn stem het zou zeggen; dat ik telkens vol vreugde eene gedachte herkende, die hij op onze bijeenkomsten uitvoeriger had ontwikkeld; maar dat ik nooit lette op onderdeden, en nooit een oogenblik aandacht had gehad voor den logischen opbouw van zijn betoog, of den gang van zijn statige zinnen.

Proza is toch eenmaal van anderen aard dan poëzie, en daarom Dadelijk was hij klaar om in dit opzicht mijn opvoeding ter hand te nemen, en toen, zooals gewoonlijk, om een uur of acht de anderen binnenkwamen, vonden ze mij op mijn knieën bij de kachel, bezig brood te roosteren en op te knabbelen, om mijn gemiste diner in te halen, en hem naast mijn hoofd op de tafel gezeten, met overdreven cadans de eerste zinnen van Potgieter's Rijksmuseum aan het declameeren, om me in de geheimen van de proza- techniek in te wijden.

Toen overviel hém weer een van zijn prachtige verontwaardigingen, en, in een huiverende stilte, zei hij de onsterfelijke regels: Een paar dagen later kwam hij me Spinoza brengen en het schema voor een studie over Oud-Noorsche sagen. Hij bleef nu geregeld bij me komen zooals vroeger, en zonder bizondere emoties ging het leven zijn gang.

Maar tegen het eind van de maand begon ik te be- merken, dat ik bijna geen geld meer over had. Ik vond het een grappige, nieuwe sensatie; ik liet me door allerlei vrienden ten eten vragen, borg mijn onbetaalde rekeningen zorgeloos in mijn portefeuille, en trok, toen de laatste gulden was verdwenen, nog ruim een week, voordat officieel de Kerstvacantie begon, naar mijn familie, om daar mijn ontredderde financiën weer in orde te brengen.

Het was mijn eerste terugkeer in het huis van mijn jeugd, en, na een ochtend van onwennig rondzoeken, hernam het geregelde leven van zooveel jaren zijn volle macht over mij. Zoo onwezenlijk en als alleen gedroomd schenen me nu de enkele maanden van vrijheid, dat ik nauwe- lijks er naar terug verlangen kon, en toen ik eindelijk, ver in Januari, wezenlijk weer in mijn zonnige kamer stond, en de, nog bijna onberoerd gebleven, witte bandjes van Spinoza me op mijn schrijftafel zag wach- ten, had ik het gevoel mijn vroegere leven geheel ont- groeid te zijn.

Ik voelde me vreemde tegenover mijn meubels, waarvan de banale netheid me opnieuw ergerde, vreemde tegenover mijn vrienden, wier luiden, vrijmoedigen toon ik was ontwend, en de eerste week leefde ik in groote onrust door. Hij kwam niet bij me; liet niets van zich hooren. En ik zei tot mezelf, dat hij er ook niet de minste reden toe had, terwijl ik voor de zooveelste maal het papier uitrolde, waarop ik alles geschreven had, wat ik hem bij ons weerzien vragen wilde, niet alleen duistere plaatsen bij Dante en taalkundige moeilijkheden in Floris ende Blancefloer, maar ook levensvragen, als: Ik voelde me zóó ver van hem af, dat ik er aan twijfelde, of ik hem nog wel ooit zou weten te be- reiken.

Maar op een avond bracht een van mijn vrienden een zeldzame uitgave van Plotinus mee, om me zijn nieu- wen aankoop te laten bewonderen, en dadelijk her- kende ik het boekje, dat ik voor eenige weken van hém ter leen had gehad, en waarvan ik vergeefs had getracht den zin te doorgronden.

Den volgenden morgen, zoodra ik op was, ging ik naar hem toe, bijna blij, dat mijn jagende onrust mij dwong de vervreemding tusschen ons te verbreken. Ik liet me niet aandienen, maar ging regelrecht op zijn kamerdeur af.

Er brandde geen vuur, zoodat het er kil en vochtig was; op den schoorsteen stond alleen nog het lieve portret, en er naast lag iets blinkends, dat ik niet dadelijk onderscheiden kon.

Toen hij mij zag, sprong hij verward op, en maakte een afwerend gebaar; er was iets ongeduldigs in zijn manieren, alsof hij juist alles goed geregeld had, en nu zijn plannen weer in de war zag gestuurd.

Maar ik hield me, alsof ik niets bizonders aan hem merkte, en terwijl ik de heeschheid van mijn stem door een glim- lach trachtte goed te maken, zei ik langzaam: Daarom kom ik maar naar jou. Ik weet wel, dat het niet comme il faut is. Maar ik wou eens kijken, hoe je het maakt. Waarom brandt je kachel niet? Het is hier zoo koud. Ik vind 't lekker zoo; maar als jij. Hij begon heen en weer te loopen, en beet zich op de lippen. Ik voelde, dat hij er over dacht me te ver- zoeken heen te gaan en me niet verder met zijn zaken te bemoeien.

Ik voelde, dat hij hartstochtelijk zocht naar het woord zóó hoog en fier, dat het hem voor- goed van mijn indringerige belangstelling zou bevrij- den, en toch zoo waardig-zacht, dat het me niet won- den kon. Maar ik hield me aan zijn bureau vast, alsof ik eiken voet grond tot de deur tegen hem zou willen verdedigen, en bijna uitdagend begon ik opnieuw: Ik heb er den vorigen keer maar een schijntje van begrepen, en ik wou graag. Ik dacht er over een eind te maken aan de comedie, en hem de volle waarheid te vragen, maar ik kon geen overgang vinden, en daarom ging ik door: Maar geef me dan een ander boek.

Ik heb er in de vacantie naar verlangd weer eens prettig, geregeld te gaan lezen. Ik had nog nooit een vuurwapen betast, en besefte de dramatiek van het oogenblik ten volle. Ik wil 't niet hebben. Je bent laf, je bent een lafaard, dat je zoo iets kunt willen doen. O, als alles goed gaat, dan kunnen jullie mannen wel leven, dan ben jullie de heeren der schepping, Je hebt geen schijntje gevoel van verantwoordelijkheid; je hebt geen idee van zedelijken plicht.

Je denkt er alleen aan, wat je op 't oogenblik het makkelijkst is Ik kan het niet dragen. Ik heb een beetje recht op je. Toe, beloof me, beloof me eerst Ik droogde ener- giek mijn oogen af, streek mijn haar achterover, en ging vastbesloten in de vensterbank zitten. Natuurlijk moet je doen, wat je zelf wilt; natuurlijk gaat het mij niets aan, als je Als je dat nog voor me zoudt willen doen, je plan motiveeren.

Ik heb alles gedaan om er bovenop te blijven. Ik heb gewerkt, geschreven, baantjes gezocht Ik heb niets meer om te verkoopen; en nu komt er schande over mijn naam, als ik niet op tijd aan mijn verplich- tingen voldoe. Het eenige is, dat ik er een eind aan maak. Alleen om wat geld heb je ons al die afgesleten derderangs-opera-attributen van den uitgehongerden jongen man, de revolver, de vrouwetranen en de verzoening nog eens voor 't front laten brengen!

Alleen om wat geld heb je jezelf zoo bleek en afge- tobd en rampzalig gemaakt? Maar vind je eigenlijk zelf het effect toch niet een beetje mager? Ik wist niet, waar ik ze vond; ik wist niet, wat ik er mee bereiken wilde. Ik voelde alleen een blinden drang in me, om hem er toe te brengen zijn voornemen ridicuul, melodramatisch en minderwaardig te vinden en daar- voor was geen middel mij te bruut, geen aandrang onwaardig.

Een fel rood klom tot zijn blank voorhoofd op, en hij trok ongedurig met zijn schouders. Ik weet wel, dat ik hier voor je sta, als de ridder van een zeer miserabele figuur.

Maar ik héb niets, en ik wacht niets. Over drie weken is de termijn verstreken, en moet ik honderd vijf en twintig gulden betaald hebben, over drie maanden wéér honderd vijf en twintig gulden, en zoo eindeloos door. Het stapelt zich om me op; ik zie geen uitweg, ik kan 't niet langer uithouden Neem me niet kwalijk; maar nu wordt 't 31 hcusch vermakelijk! Au fond is er niets banaler dan slechte romantiek. Maar ik weet geen beter einde te vinden. En je bent voorbestemd om in het slotbedrijf met de prinses te trouwen, en als koning op een kameel voor het voetlicht te komen, terwijl stoeten onderdanen alle mogelijke schatten aan je voeten uitspreiden.

Bederf het spel dus niet in den aanvang. Verderop stonden lacherige dienstmeisjes aan een groentewagen inkoopen te doen, en een vrouwtje liep met een kinderwagen, langzaam zich te goed te doen aan het mooie weer. Alles buiten ging degelijk, tevreden en harmonisch zijn gang, ter- wijl hier een man, die jong was, die talent had en schoonheid en levenslust, geen plaats zou kunnen vinden op de wereld, en besloten had maar stilletjes weg te gaan.

Ik stond met mijn rug naar hem toe, en legde mijn handen over mijn heete oogen. Maar nu moet je me ook heelemaal vertrouwen. Nu mag ik ook over drie weken. Weet 32 je wel, dat ik niet 't minste geloof meer heb in je socialistische neigingen, als je zooveel waarde hecht aan privaat bezit? Het is toch geen verdienste van mij, dat mijn ouders me meer hebben nagelaten, dan ik noodig heb Toe, praat er niet meer over, en denk er niet meer aan.

Ik hief mijn gezicht naar hem op, dwong alle zorg-gedachten weg uit mijn hoofd, en hield mijn blik rustig en open in de zijne.

Je weet, dat ik 't niet hebben wil, als 't je ook maar eenige moeite kost,. Ja, je dwingt me om op te snijden over mijn fortuin, als de eerste de beste patser. Nu hij weer opgewekt keek, viel 't me nog meer op dan te voren, dat hij er uitgeput en ver- vallen uitzag; er waren zwarte kringen onder zijn oogen, en zijn lippen zagen paars. Maar zijn oogen brandden schitterend, en hij stond zoo rechtop, alsof hij herboren was. Laat de juffrouw dadelijk eieren en boter en melk halen, wacht, ik zal 't wel even gaan vragen, — en de kachel moet aangemaakt worden, en de kamer opge- ruimd.

Ik had het eene raam hoog opengeschoven, zoodat de pittige, opwekkende winterlucht vrij naar binnen golfde, en hij lag op de canapé, glimlachend met de oogen dicht, volslagen afgeloopen, maar be- rustend in de plotselinge verandering van zijn lot.

Ik voelde mijn zenuwen tot het uiterste gespannen, en er was een zoo geweldige drang tot actie in me, dat ik maar het liefst dadelijk naar buiten gebroken zou zijn, om, door den wijden winter zwervend, me aan de meest excessieve toekomstplannen over te geven.

Maar ik dwong me stil te zitten, met een rustig-blij- moedig gezicht, en met zachte zorgen om hem heen te zijn, totdat zijn uitvoerige maaltijd tot in de klein- ste finesses correct was verloopen. Ik dacht altijd maar, dat ik moest trachten het geld uit te zuinigen op mijn maaltijden, ik wilde het altijd met mijn eten vinden; maar dat is zoo'n nega- tieve manier, en je wordt er rampzalig van. O, je weet niet, hoe goed het doet, weer eens ordentelijk gevoed te worden.

Niet meer grübeln, niet meer denken Denken ist eine sauere Arbeit Ik kom wel eens kijken, of je je aan mijn voorschriften houdt. Toen, eensklaps, verstrakte mijn gezicht; ik ging langzaam en ernstig zijn steile trappen af, en bij iederen stap woog mij de gedachte zwaarder: In normale tijden zou het mij betrekkelijk gemak- 35 keiijk gevallen zijn tenminste een groot deel van de som van mijn ruim maandgeld over te houden, maar door de twee honderd gulden van een paar maanden geleden, en vooral door mijn zorgeloosheid, toen mijn kas uitgeput bleek, waren mijn financiën in zeer slechten staat geraakt; ik had nog verschillende kleine schulden, en, zelfs zonder buitengewone uit- gaven, zou ik moeite hebben gehad die maand rond te komen.

Maar, ofschoon ik dus voorloopig geen uitweg zag, en zeifs geen begin van een plan de campagne kon vinden, — toch twijfelde ik er geen oogenblik aan, of ik het geld bij elkaar brengen zou. Het moest, en daarmee was alles gezegd. Mijn wil scheen me sterk genoeg, om het leven te dwingen. Ik was niet van plan me door de omstandigheden te laten ringelooren, en ik beloofde mezelf, dat ik hem over drie weken het couvertje zoü brengen, al moest ik het huis aan huis bij elkaar bedelen.

Zoodra ik thuis was, ging ik, bang om een oogenblik te verliezen, aan mijn schrijftafel zitten, en begon de laden na te zoeken, die vol lagen met slordig door elkaar geraakte schetsen, verzen, brieven, balboekjes en menu's. Ik had in dien tijd zoo'n afkeer van publi- ceeren, dat ik altijd stapels copy in voorraad had. Ik sorteerde een zestal verhaaltjes, die me redelijk ge- slaagd voorkwamen, nam mijn statigste postpapier en een nieuwe pen, en adresseerde ze, met beleefde bege- leidende briefjes, die om spoedige plaatsing vroegen, naar verschillende tijdschriftredacties.

Ik frankeerde ze dadelijk, en vertrouwde ze aan de juffrouw toe om ze cito cito te laten wegbrengen, met een zucht van ,,God zegen de greep. In mijn portemonnaie had ik één gulden zeven en dertig cent; ik zou mijn weekboekje bij de juffrouw, het eenige, dat ik dadelijk moest voldoen, wel tot drie of vier gulden kunnen beperken,.

Ik voelde me door deze becijfering-in-de-ruimte aanmerkelijk opgelucht. Dan had ik nog als bron van inkomsten gerekend op de verhaaltjes, 37 die ik zou schrijven Ik zuchtte, en bekende mezelf, dat de vraag: Ik begon nu alle dingen van mijn kamer met groote aandacht, en alsof ik ze voor 't eerst zag, te bekijken.

Alle muurversieringen, alle kleine ornamenten, alle luxe-dingen waren van mij: Dan waren er schemerlampjes, kussens, sarongs, pulletjes, een koperen kaarsenkroontje en een oude klok, zonder welken overbodigen opschik geen moderne kamer meer gezellig is te noemen; ik had een tijd lang Tanagrabeeldjes en Kopenhaagsch aardewerk verza- meld; ik bezat een boekenkast met in tweeën gedeelde, draaibare planken, — en dan was er in de slaapkamer nog mijn ledikant, en al mijn jaoonnen en mantels en hoeden, mijn sieraden, mijn laarzen, mijn borstel- garnituur en mijn toilettafel, En wat zouden ze wel van me denken, als ze me daar bezig vonden mijn zilveren theelepeltjes te laten taxeeren of de qualiteit aanprijzend van mijn cloisonné vaasjes?

Voor mezelf zou hun meening me geheel onver- schillig laten, maar als ze het kanaal eens vonden, waarlangs mijn geld weggevoerd werd; als ze eens onder elkaar vertelden: En als de juffrouw eens iets begon te vermoeden, en mijn' familie waarschuwde, die me dadelijk onder liefdevolle controle zou stellen! Weer keerden mijn gedachten naar mijn uitgangs- punt terug: Het eenige, dat ik op 't oogenblik kon doen, en dan ook onmiddellijk doen moest, was: Er was nog vleesch over van de koffie, ik had nog een blikje sardientjes, een potje paté, eieren, melk, China's- appels, koek, roggebrood en een mandje met vijgen; — verhongeren behoefde ik dus voorloopig nog niet, al schafte ik het warme eten ook af.

Ofschoon het nauwelijks vier uur was, maakte ik een paar boterhammen en een kop melkchocola voor me klaar, verorberde alles met dankbaren eetlust, en borg vervolgens het gebruikte vaatwerk zorgvuldig in mijn boekenkast, opdat de juffrouw niets van dezen maaltijd zou bemerken.

Toen zette ik me weer aan mijn schrijftafel om het schetsje af te maken, vocht tegen den onwil, die me altijd overviel, als ik nog doorschrijven moest, nadat voor mijn gevoel het hoogtepunt er was geweest, en werkte, tegenstribbelend en mezelf hoonend door, tot het buiten zes uur speelde.

Het heele huis was toen met een aangenamen geur van eten vervuld; boven hoorde ik de borden ramme- len en de vorken kletteren, en een genoeglijk stemmen- geroes van etende menschen gonsde door de gang. Het was vinnig-koud, de lucht was melkwit van maan en ster- 40 ren, en de oude grachtjes lagen blank oversneeuwd. Er waren weinig menschen op straat, iedereen was natuurlijk aan tafel; en ik genoot van het trotsche gevoel, dat ik hier alleen buiten liep, en dat niemand wist of vermoedde, dat ik honger had en niet eten zou.

Ik keek naar de kleine, oude huisjes, en naar de tuffende, stootende motorbooten, die hun rooden iichtglans op het water wierpen, met nieuwe oogen. Ik knelde mijn handen, diep in mijn zakken, tot vuis- ten, en wierp mijn hoofd achterover, den pralenden hemel tegemoet.

Sterk en gelukkig voelde ik me. Ik besefte, dat ik voor 't eerst de moeilijkheden van het leven zou leeren kennen, en mijn hart was overvol van moed. Ik zou me nooit gewonnen geven. Mijn wil zou nooit breken. Ik zei het nog eens in de stilte, met een plechtige stem, als een belofte aan de wintersche wereld: Een teederheid welt op in mijn hart, en misschien ook wel een beetje sentimentaliteit; het is me, alsof ik over een jonger zusje schrijf, een lief, jong zusje, dat vroeg is gestorven.

Ik sluit mijn moeë oogen, en ik zie, hoe ik daar dien avond moet hebben gestaan, een ernstig, extatisch kind, in een langen wintermantel, met de handen in wollen handschoenen; met naar achteren geborsteld haar, simpel, zonder eenige ver- fijning.

Ik zie mijn ronde, onberoerde wang, en de overdauwde oogen, die ik van oude kinderportretjes ken; ik glimlach over de naïve zelfmisleiding, waar- mee ik, ondanks een stevig maal van twee uur geleden, me romantisch verbeeldde, dat ik eigenlijk honger 41 leed; — maar ik zucht, omdat, naast die kinderlijk- onechte opschroeverij, in mijn hart de wel heel ern- stige, kinderlijke bereidheid bestond om wézenlijk te hongeren, om wézenlijk alles te offeren, om te sterven desnoods, als daardoor dat ééne leven maar werd behouden, waarvan mij, in den meest absoluten zin, het heil van de wereld scheen af te hangen.

Ik ben oud geworden, nuchter, practisch, critisch; en ik denk: En als ik iets voor hem wilde doen, had ik dan niet een- voudig een kleine som bij mijn bankier kunnen opvra- gen, die zijn jong cliëntje zeker niet met formaliteiten lastig gevallen zou zijn; — beter dan dat ik mezelf tenslotte een soort hongerrégime oplegde, dat toch alleen negatieve resultaten kon opleveren. En het is me, alsof mijn verre, oude zelf, alsof dat kind, dat haar oogen vol droom naar de sterren hief, mij antwoordt: Het geheele geval had zonder eenige romantiek, nuchter en soliede kun- nen verloopen, met een cheque of een aangeteekenden brief of een telegrafischen postwissel, als ik niet juist aan de poort van het leven had gestaan, met mijn ontwakend hart, dat hunkerde om zijn groote offer te brengen.

En toen het een kans zag, wist het van geen practische bedenkingen meer. In het eerste drama, dat een mensch beleeft, is hij zelf meestal zoowel de eenige acteur, als de auteur van den gang der gebeurtenissen. Dan is zijn fantasie nog sterk genoeg, om alléén te spelen tegenover een stel philosophisch zwijgende poppen, om alleen aan 42 elke daad een beteek.

Later, als men sentimenteel en veeleischend is ge- worden. Maar nu wil ik over den aanvang spreken, over den eersten droom; over mijn eerste drama, waarin ik, met zooveel ingehouden toewijding, alle rollen heb gecreëerd; totdat een ander, te vroeg, het scherm liet vallen. De weken, die volgden, stonden buiten het gewone leven, en de voortgang der dingen scheen veran- derd.

Als ik er aan terugdenk, is het me, alsof het één lange, lichte dag is geweest, druk, roezig, vol span- ning; en toch met uren zóó stil, dat ik mijn hart, als een bloem, voelde trillen en opengaan; één strijd met de omstandigheden, met de vijandige wereld, met ziekte en honger; en toch heb ik het leven nooit meer zoo innig, zoo volkomen lief gehad.

Ik denk aan het beste, dat het me later nog heeft gegeven, aan de, dagen in Florence, aan den middag in het bosch bij Brussel, — aan den avond, dat ik met reikende handen mijn vrijheid heroverde, en ik zeg: Neen; zóó volmaakt, als in dié dagen is de gelukkig- heid nooit meer over me gekomen; zoo diep, als bij 43 den eersten dronk, heb ik de vreugd en het leed niet meer genoten. Ik voelde me soms als een gekooid beest, dat in benauwing zijn nagels om de tralies slaat; maar 't ijzer geeft niet mee, en een uitweg vindt het niet.

Ik leerde voor 't eerst de wreede eenzaamheid kennen, van 't naar uiting hunkerende hart niet meer aan anderen te kunnen openbaren; van alleen den schat van zaligheid en zorg te moeten dragen, waarvan niemand iets vermoeden mocht. Ik stond voor het eerst, borst aan borst, tegenover de onaantastbaarheid van het leven, dat voortwentelt over dood en lijden heen, en zich noch aan smart- kreten, noch aan stille tranen stoort. En als ik een oogenblik van zwakheid had, als het me even duizelde, omdat alles me zoo ernstig en geweldig leek, — dan overstroomde toch telkens me weer de heerlijke zekerheid, dat alleen hij zal over- winnen, die zijn kracht met het lot durft meten, die de afmattende worsteling niet schuwt; — en ik richtte me op, en liep weer onder de menschen, in de lichte straten, met een lach als zij, en ik praatte en bewoog, alsof dit uiterlijke bestaan ook voor mij het eenige was.

Ik was in die dagen nooit moe, of dof, en toch heb ik nooit meer zooveel gedaan. Ik werkte hard en lang voor mijn examen, omdat ik zoo gauw mogelijk klaar wilde zijn, en dan een betrekking wilde zoeken, waar ik veel verdiende. Ik bedacht met een geluk- kigen glimlach, dat, van mijn plannen om naar Voor- Indië te gaan, voor mijn dissertatie, — van al mijn reis- en onderzoekingstochten, in zorgeloos egoïsme bedacht, — voorloopig niets zou kunnen komen; om- 44 dat ik me nu aan het eerste 't beste achterhoeksche dorp zou laten binden, als ze me genoeg wilden laten verdienen, om iedere drie maanden honderd vijf en twintig gulden over te houden.

Ook schreef ik elk vrij oogenblik aan schetsen, kritieken, en een wetenschappelijke verhandeling, over welker fantastischen overmoed ik nu wel stil moet glimlachen. Ik verstelde zelf mijn ondergoed, stopte mijn kousen, waschte mijn handschoenen, en eens ging ik zelfs naar de juffrouw van een hand werkwinkel toe, om haar te vragen, of ze ook werk voor me had. Maar toen ze hoorde, dat ik studeerde en schreef, deed 't goede mensch zoo afkeerig, alsof haar reputatie op het spel stond. Er werkten zooveel gediplomeerde meisjes voor haar; er was op 't oogenblik slapte in zaken, maar als 't voorkwam, zou ze wel eens aan me denken.

Ik was nog te idealistisch en te zeer begeerig om mijn leven met schoone gedachten en edele gevoelens te vullen, om smaak te kunnen vinden in een luchtig geschreven vertelling, in een van die kleine meesterwerken van moderne schrijfkunst, die van weemoed en cynisme aaneengeweven zijn.

Mijn hart wilde verrijkt worden en herkende zijn eigen toekomst in de grootsche offer-bereidheid, in de daden van zelfverloochening 45 van vroeger eeuwen.

Mijn hart wilde de gelijke zijn van Alcestis, van Portia, van Héloise, Als ik bij hem kwam, was hij altijd opgewekt en vol moed, maar dikwijls beangstigde mij de stralende glans van zijn groote oogen, koortsig lichtend uit zijn versmald gezicht. De emoties en ontberingen van de laatste maanden hadden hem zóó verzwakt, dat hij niet meer uitging, maar den heelen dag doorbracht op zijn «kamer, wat schrijvend, wat werkend, wat.

Toch was zijn leven vol bewogenheid, want van binnenuit waren geweldige krachten aan het werk, ec de plannen voor de boeken, die hij schrijven zou en de stelsels, die hij zou ontwikkelen, maakten zijn eenzaamheid zóó rijk, dat ik hem soms met een donkere kleur en brandende oogen aan zijn schrijf- tafel vond, gejaagd de quintessens van zijn gedachten noteerend, alsof hij bang was, dat hem niet genoeg tijd gelaten zou worden. Nog altijd wist ik niets van zijn omstandigheden af.

Op een van onze eerste middagen had hij me gezegd, dat ik nu het recht had alles van zijn leven te weten, en dat hij me nu behoorde uit te leggen, hoe het eigenlijk kwam, dat hij Maar ik had hem gesmeekt er mij niet over te spreken; ik kon de gedachte niet verdragen, dat mijn geheimzinnige Lohengrin tot een gewoon mensch, lid van een gewone familie, met gewone familieverwikkelingen en gewone zorgen zou kunnen worden.

Hij moest zijn aureool behouden van eenzamen duider, die door een imbe- ciel noodlot vervolgd werd. Mijn weigering scheen hem goed te doen. Hij zuchtte 46 opgelucht, en zei alleen: Toen spraken we er nooit meer over.

Maar uit zijn verhalen over groote zwerftochten te paard over de hei, die hij 's zomers altijd maakte, over lange reizen met zijn vader, over diners, die zijn ouders gaven en zijn verzameling oude munten, merkte ik wel, dat hij in overvloed was opgevoed, en tot voor enkele maan- den nooit geldzorgen had gekend. Ik bewonderde slechts te meer de gestadige blijmoedigheid, waarmee hij zijn burgerlijke, armelijke omgeving aanvaardde, en vooral het koninklijke in zijn manieren, dat hij, ondanks de knellende zorgen, tot het einde toe be- hield.

Nooit sleten onze omgangsvormen uit tot de banale, gemakkelijke sans gêne, die zoo vaak van het elkaar goed en eerlijk kennen het gevolg is; nooit verwaar- loosden we een van beide de kleine beleefdheden, die het eigenaardige van onze verhouding verzachtten of verborgen.

Het gebaar, waarmee hij mijn mantel aan een kram in den muur ophing, en een hoekje op zijn bureau voor me leegruimde, omdat ik altijd graag hoog zat, als ik voorlas, drukte zooveel ridderlijke gastvrijheid uit, dat ik mij geen heerlijker ontvangst kon denken, en toen ik eens zijn inktkoker omgegooid had, en de juffrouw hem een buitengewoon onappetitelijk vodje had meegegeven om de calamiteit te verhelpen, reikte 47 hij het me met zooveel gracelijke waardigheid aan, dat ik, ondanks de geuren, aan den sluier van den draak denken moest, dien de moedige held na einde- loos veel gevaren te hebben getrotseerd, in de handen van de jonkvrouw neerlegde.

Zoodra ik bij hem was, voelde ik me vredig worden, helder en opgewekt. Al had ik ook den heelen dag gewerkt, in zorg, onrust en spanning; al hadden mijn gedachten zich ook eindeloos gepijnigd om een uitweg te vinden, — voor een bezoek aan hem kleedde ik me met de grootste zorg; ik maakte mijn haar opnieuw op, masseerde de rimpels in mijn voorhoofd weg, en ging dan tot hem, de armen neer, de handen open, overgegeven en vertrouwend.

Ik had in het begin gedacht, dat er van voorlezen wel niet zoo heel veel komen zou, omdat het moeilijk is, om, met een ander samen, zijn aandacht geheel op een boek te concentreeren. Maar het bleek weldra, dat we juist nooit zoo harmonisch voelden, als wan- neer mijn stem rustig door de stille kamer ging.

De kachel brandde dan knetterend; door het hoog-open raam scheen de strakke winterzon naar binnen, en strooide glans over het geplekte behangsel. Hij lag gewoonlijk op de canapé, en ik zat op het bureau tegenover hem. Soms voelde ik, dat hij naar me keek, en dan las ik nog warmer, maar als ik mijn hoofd ophief, waren zijn oogen altijd neergeslagen, starend naar zijn witte handen.

Ik had in die dagen een groote liefde voor mijn eigen stem, omdat ze als een blank watertje was, dat van mij naar hem vloeide, een beekje, dat mijn gedachten als bloemen met zich nam.

Als hij vond, dat ik heel mooi gelezen had, nam hij, vóór ik weg- 48 ging, mijn twee handen in de zijne, en wanneer hij maar mijn eene gedrukt "had, was ik boos en ontevreden over mezelf, omdat ik niet meer mijn best had gedaan.

Meestal vatte hij, wanneer we een gedeelte beëin- aiga hadden, de waarde en de beteekenis van het gelezene in een paar zinnen samen, en het scheen me altijd, alsof alles dan veel grootscher en wijder werd, alsof eerst door hém de gedachten, die Hegel en Goethe en Plato verward hadden gevoeld, tot hun volle recht kwamen.

Ik begon ze te lezen, met voorzichtige, tastende stem. Buiten was wind en zon en de forschheid van een winterdag; maar in de kamer werd alles zóó teer, dat ik nauwelijks méér durfde doen, dan de woorden fluisteren. Zoo kwam ik aan deze regels van beang- stigende zuiverheid: O, als ik dood zal, dood zal zijn, Kom dan en fluister, fluister iets liefs, mijn bleeke oogen zal ik opslaan en ik zal niet verwonderd zijn.

En bijna zonder iets te zeggen gingen we dien dag uit elkaar, omdat alles zoo droef en zoo heerlijk scheen Maar den volgenden middag klonk mijn stem weer klaar en vast, uren achtereen, terwijl ik een Engelsche beschouwing over de Stoa voor hem oplas. Hij schuwt het lijden evenzeer als de Epi- curist. Terwijl de Christen het aanvaardt, als een zegen, die hem sterker en beter maken zal.

En ik geloof, dat de school van het lijden tot zelftucht en tot zelfveredeling leidt. Het voert elk ernstig mensch vanzelf naar zijn Gethsemane. En ineens, zonder verband, zag ik Napoleon voor me, den kleinen, moedigen korporaal, die op het slagveld bij Waterloo stond, en wist, dat alles verloren was. De tranen sprongen me in de oogen, bij de gedachte aan al het leed, dat al op de wereld geleden was, en dat ik pas begon te begrijpen, nu ik er mijn eigen klein aandeel in had.

Ik keek naar hem op, en beloofde me, dat ik hem nooit alleen zou laten. Eens, toen ik zijn eerste deel van Spinoza had meegebracht, omdat hij me gezegd had, dat hij het graag terug hebben wilde, schreef hij voorin een kleine opdracht met zijn en mijn naam, en den datum van mijn eerste bezoek aan zijn kamer.

Het is een groote schat, en ik heb er heerlijke uren aan te danken. Ik hoop, dat jij er ook van genieten zult. Maar ik vond het heerlijk een boek, dat. Ik legde de drie bandjes rond mijn schrijfcassette heen op mijn bureau, en steunde altijd mijn arm op een er van, als ik schreef; ik verbeeldde me, dat er kracht van uitging, want het werk vlotte boven ver- wachting. En ik nam me voor, dat ik de boeken, heel dien onbegrepen schat van vernuft, zorgvuldig voor hem bewaren zou, en ze hem eerst dan terug zou geven, als het hem niet meer zou kunnen grieven door den schijn, dat ik zijn geschenk niet in waarde hield.

Nooit zou een ander er aan mogen raken. Er was niemand, die van mijn bezoeken af wist. Hem hadden ze al bijna vergeten, omdat hij zich in maanden niet had vertoond, en aan mij was uiter- lijk geen verandering te merken: Toen ik haar ging bedanken, zei ik, met een blij- moedigen lach, dat het ook zoo moeilijk was altijd aan je maaltijden te denken, terwijl er zooveel belang- rijkers op de wereld viel te doen; maar in stilte hoopte ik hartstochtelijk, dat ze geen onderzoekings- tocht in mijn kast zou hebben ondernomen, die haar alles verraden zou hebben.

Mijn proviand was volkomen weggeteerd, en ik leefde nog slechts van boterhammen en melk. Ik kon mezelf niet meer luchthartig uit eten vragen, omdat nu deze wijding over mijn leven was neergedaald, de vrienden van vroeger me hoe langer hoe vreemder werden, en buiten alles schenen te staan.

Ik liet mijn kachel niet meer aanmaken, werkte, in mijn warmen jekker gewikkeld, met mijn lamp klein gedfaaid, soms tot diep in den nacht door, en toch waren, na een week, de dertig gulden nog maar tot vijftig aange- groeid, doordat een oom, die een paar maanden geleden mijn verjaardag had vergeten, zich juist op dit allergeschiktste oogenblik mijn bestaan had herin- nerd, en me de weldaad van een postwissel van vijf en twintig gulden aandeed.

Alleen over mijn boeken had ik de vrije beschik- king; noch de juffrouw, noch mijn familie voelden veel voor de rijen gladde ruggetjes, die mij het liefste van mijn bezittingen waren, — en als mijn biblio- theekje verdween, en er beeldjes of andere snuiste- rijen voor in de plaats kwamen, zouden ze daar niets vreemds in vinden.

Daarom had ik al eens, toen een van mijn vrienden een avond bij me was, hem terloops gevraagd, of hij ook boeken gebruiken kon. Hij beloofde het, maar ik wist, dat ik er niets meer van hooren zou. Soms maakte ik het plan, het geld eenvoudig ter leen te vragen; het was toch eigenlijk maar een bagatel; niemand zou er iets tegen kunnen hebben. Maar dan bedacht ik weer, dat ik aan al mijn intieme vrienden wel eens kleine sommetjes had geleend, en dat vragen dan den schijn van terugeischen zou heb- ben; terwijl aan anderen, — o, ik voelde het, dat 54 ik veel liever iets heel ergs zou doen, stelen, als ik er kans op za»g, dan hun met een valsch glim- lachend gezicht, alsof ik het niets vond, het geld ter leen vragen, en dan een beleefd uitwijkend antwoord te krijgen, dat erger dan een weigering was.

Wanneer ik langs de groote, mooie winkels liep, waar voor duizenden guldens waarde uitgestald lag in het zonnelicht, of 's avonds nóg verleidelijker onder de stralende lampen, — dan voelde ik een sterken drang in me, iets er van weg te nemen, en hem zóó te redden.

Er was geen enkel ethisch bezwaar, dat me weerhield; ik had me vroeger, met meisjesachtige ontoegankelijkheid, voor wat niet mijn eigen levens- sfeer betrof, nooit veel om sociale verhoudingen be- kommerd, maar, door zijn zorgen leek de inrichting van de samenleving mij nu ineens zóó immoreel, dat ik graag tegen haar wetten wilde zondigen. Als er een vrouw met ruischende rokken en met sieraden behangen, langs me ging, of wanneer de meisjes op college plannetjes maakten voor een con- cert of een comedie, dan had ik moeite hun niet toe te roepen: En ondertusschen luisterde ik gespannen, als ze een paar dagen later de uitvoering samen bespraken, om hem, en passant, en of 't me toevallig 55 inviel, een verhaal over mijn schouwburgbezoek of over mijn concertavond op te disschen, opdat hij toch nooit aan mijn zorgelooze weelde twijfelen zou.

Ik had nog eens aan de verschillende tijdschrift- redacties geschreven, met het dringend verzoek mijn schetsjes spoedig te plaatsen, en, zoo mogelijk, dade- lijk het honorarium over te zenden. Ik overwon zelfs zóó ver mijn trots, dat ik over mijn geldgebrek sprak; maar de antwoorden, die na enkele dagen binnen- kwamen, waren van een ontmoedigende eenstemmig- heid: Uitbetaling van honorarium gebeurde nooit vóór het verschij- nen.

Als ik echter geduld had. Ik zat in verbeten wanhoop, en klemde mijn handen, dat de magere vingers kraakten. De gedachte, dat ik bij hem zou moeten komen en bekennen: Wanneer hij eenmaal wist, dat ook ik finantiëele moeilijkheden kende, wanneer hij niet langer geloofde aan mijn gemakkelijken overvloed, zou hij me nooit meer toestaan iets voor hem te doen, en hij zou lijden bij de gedachte, dat ik om hem iets had ontbeerd.

Moet hij dood gaan, terwijl jij jong en sterk en snugger en mooi bent, en toch iets moet hebben, of kunnen of weten, waar geld voor te krijgen is. Maar natuurlijk zouden ze, na dien eenen romanzin, me verder beginnen te vragen: De heele geschie- denis, mijn honger- en kou-lijden voor een man, dien ik bijna niet kende, de dreigende revolver in de la van zijn bureau, was te boekachtig om ergens geloof te kunnen vinden; ik zag al weer in gedachten het beleefde wegwijken der oogen, dat ik niet uitstaan kon, de belofte te zullen inf ormeeren, Ik maakte mijn haar los en liet het over mijn rug vallen: Als ik dat eens afknippen liet!

Ik zou er misschien wel twintig gulden voor krijgen En ik stelde me voor, hoe ik daar zitten zou in het kleine, verlichte kamertje, waar ik zoo dikwijls ach- terover in mijn stoel had gelegen, terwijl de oude man over me gebogen stond en langzaam en gestadig mijn hoofd masseerde, zachtjes prevelend: En de tint is zeldzaam Zoo laten de dames het zich 57 verven tegenwoordig Zóó maak ik pruiken Maar wie heeft het van nature.

Mijn God, hoe kon ik daar nu om schreien! Er waren toch zooveel erger dingen in de wereld; er was toch zoo nameloos groot leed, en zooveel verteerend zor- gen!

Maar ik zag mezelf met korte, vlassige haar- pruikjes, als een vrije vrouw van de akeligste soort, de collegezaal binnenkomen; ik hoorde de booze en verschrikte uitroepen van de tantes, die het natuur- lijk voor een nieuwe gril van hun grillig pupilletje zouden houden; en vooral stelde ik me de bedroefde verbazing op zijn gezicht voor, als hij me zoo leelijk zou zien.

Hij zou niet minder zacht en lief willen zijn, maar hij zou van me schrikken, zoo dikwijls hij onverwachts naar me keek. Hij zou niet gelooven, dat ik het zoo maar, om een inval, had gedaan; hij zou zoeken naar een reden, hij zou vermoedens beginnen te krijgen Ik bond mijn haar op, bijna verlicht; het kón niet. Het was onmogelijk iets met mezelf te verdienen. De wanhoop overviel me alleen, als nie- mand me zag, in mijn stille kamer, en als ik onder de menschen was, dan hield mijn trots zoozeer alle zorgen verdoken, dat niemand het zou wagen mij met een vermoeden te naderen.

Mijn maaltijden werden steeds soberder en zeld- zamer. Mat het de nieuwste delicatesse was. Mijn eenige, redelijk uitvoerige voedering gebeurde op het nabroodje van mijn vele letterkundige ver- gaderingen, waar soep, vleesch, groente, taart en vruchten waren; en ik zag met verbazing, hoe zorgeloos de anderen van het eene namen en voor het andere bedankten, terwijl mijn geheele aandacht meeleefde met het verwisselen der schotels.

Dan be- dacht ik, hoe, in een ver verwijderd leven, ook ik nooit een gedachte aan de belangrijkheid van de eet- kwestie had gewijd, — vroeger, toen alles nog vlak en leeg en onbelangrijk was, — en terwijl de wijn en het stemmengeroes mij opwekten, overstroomde me tusschen al die menschen, die van andere dingen spraken, opeens de zekerheid van een groote begena- diging; ik voelde mijn gezicht als openbloeien van geluk; en als er dan toevallig iemand naar me keek, plaagde hij: Na zoo'n avond, als ik zoo heerlijk jong onder jongeren was geweest, en zoo sterk had gevoeld, dat ik nog dóen kon, zooals zij waren, — dan voelde ik me sterker en moediger dan te voren, omdat ik weer de kracht in me wist, die doordreef, wat ik wilde, die nergens voor terugdeinsde en me nooit begaf; en dan 59 zei ik weer, dat het moest, móest, en maakte nieuwe, zonderlinge plannen, die me in zoo'n stemming alle- maal mogelijk schenen.

Zoo vaak ik 's nachts wakker werd, liepen de tra- nen van onder mijn gesloten oogleden, vóór ik me eigenlijk nog had kunnen herinneren, wat er ook al weer was; En toch, — iederen middag, als ik de donkere trap opstommelde en zijn bleek, fijn gezicht glimlachend al naar me uitkijken zag bij de deuropening; als hij levendig vertelde, van een nieuwe gedachtenreeks, die hij hoopte te kunnen uitwerken, of van iets, dat hij wilde onderzoeken, zoodra hij heelemaal beter zou zijn, dan voelde ik zoo sterk de schoonheid, de rijke volheid van het leven, dat de wil me overstelpte, om toch vol te houden, om toch te worstelen met het weerstrevende, totdat ik het in mijn armen bedwongen had.

Er was veel, dat hem ergerlijk en voos leek in de 60 uitlatingen van oudere tijdgenooten, en bij alles, wat hij in zich opnam, formuleerde hij zich oogenblikkelijk een eigen meening, die hij, op de wijze der jeugd, met inslaande paradoxen ten beste gaf. Op mijn eenzame buitenwandelingen, als ik aan glibberige slootkanten katjes ging plukken, om zijn kamer te versieren, en naar de eerste sneeuwklokjes zocht, trachtte ik die grootsche gedachtengesprekken met mijzelf voort te zetten, en ik dwong mij over eenig probleem van algemeen maatschappelijk of wijs- geerig belang een meening te vormen, en die met argu- menten te stevigen.

Ik schaamde me over de bekrompenheid van mijn gezichtsveld, en mijn banale gebondenheid aan het 61 stoffelijk waarneembare; ik verweet mezelf, dat ik niet waard was, dat hij zijn edele ideeën voor me ontwikkelde, als ik toch, onder het luisteren door, heimelijk wachtte op het oogenblik, dat hij opeens zou glimlachen, en zeggen: Ik praat je weer doof met al mijn onrijpe invallen!

Ik stelde me honderd maal voor, hoe ik, als de dag genaderd was, hem zeggen zou, dat ik het geld niet bijeen had kunnen krijgen, dat ik nu ook geen uitweg meer zag;. Maar juist in de laatste helft van de tweede week, toen ik het meest tot opgeven geneigd was, gebeurden er twee dingen, die mijn kracht tot het uiterste op- stuwden.

Eén redacteur, die, meer menschenkenner dan de meesten, getroffen was door' den ernst van mijn briefje, had begrepen, dat wat zoo aanstellerig klonk, — een meisje in geldnood, — hier wel eens eenvoudige waarheid kon zijn, en bood mij tegen de volgende week vijf en twintig gulden aan. Dit briefje maakte mij zóó week van dankbaarheid, dat ik op dat oogenblik alles voor den man had willen doen.

Het tweede moedgevende was, dat Ru mij een mid- dag met opgewondenheid, zoodra ik binnenkwam, een postwissel van zeven en dertig gulden voorhield, een sommetje, dat hij lang geleden aan een vriend had geleend, en dat hij nu, op dit allergeschiktste oogen- blik had terug gekregen. Dien heelen middag, onder het lezen door, maakte ik, over en over, dezelfde berekeningen, en de cijfers namen mijn aandacht zoozeer in beslag, dat ik nauwe- lijks wist, welke woorden mijn lippen uitspraken Er ontbraken dus nog maar dertien gulden; dat was het honorarium van één, niet heel lang, schetsje; dat was de prijs van een vaasje, een blouse, een lampekap; dat was iets, dat je dagelijks uitgaf en dus ook dagelijks verdienen kon.

In twee weken had ik op wonderlijke wijze meer dan honderd gulden bij elkaar gekregen; de week, die me nog restte, zou zeker voldoende zijn, om die onnoozele dertien gulden ergens vandaan te tooveren. Maar op welke manier dan? Plannen-maken bleek vruchteloos in deze omstandigheden. Alle dwaas- heden, die ik om hem had willen doen, waren zonder gevolg gebleven.

Onverwachts kwam iedere gave, en 't beste was ook nu te werken, te hopen en moedig te zijn. Ik vond juist in die dagen in Ulfila bij Mattheus den mooien tekst: Ik droeg iederen dag mooie japonnen; ik trachtte mijn bleekheid te verbergen door een kleurig lint om mijn hals of een vroolijker kapsel; — en iederen morgen ontving ik den nieuwen dag als een heerlijke gave; 's avonds wiegde ik mijn honger met zoete verhaaltjes in slaap.

De verplichting iedere drie maanden honderd vijf en twintig gulden te betalen, was al vast in het pro- gramma van mijn leven opgenomen.

Ik deelde de drie jaren, die nog moesten verloopen, vóór ik meerder- jarig zou zijn, en dus over mijn geld zou kunnen beschikken, systematisch in; ik wilde mijn levensloop regelen en vaststellen tot in de kleinste onderdeelen, voortdurend gedragen door de heerlijke zekerheid, dat ik alle zorgen van hem zou kunnen afweren, en dat dat alleen de bestemming van mijn leven was. Hoe wonderlijk is het, als een oud hart zich op zijn eerste goddelijke verdwaasdheid bezint!

Hoe onge- looflijk lijkt het, als men geleerd heeft, nooit meer iets te hopen of te verwachten, dat pas over een jaar, over een maand, — dat pas morgen zou kunnen gebeuren, maar alleen dankbaar te aanvaarden wat, van uur tot uur, ons aan vreugde en lieflijkheid in de handen wordt gelegd, — hoe ongelooflijk schijnt het dan, dat er een tijd was, dat wij ons leven zelf wilden richten en zeker meenden te zijn, dat ons verlangen zichzelf gelijk blijven zou, tot het einde van alles.

Ket was gebeurd, zonder dat ik er eigenlijk vooruit over had nagedacht, en toen ik weer op straat liep, bezonk er een verbaasde moeheid in me, omdat het zoo gemakkelijk bleek te gaan, en alle zorgen nu wel voorbij zouden zijn. Ik voelde me zoo zeker van de toekomst, dat ik zelfs een gevoel van spijt niet kon onderdrukken, omdat ik nu mijn lieve boeken zou moeten missen. Zoodra ik thuis was, begon ik ze te sorteeren, legde alle, die me niet zoo heel veel waard waren, breed uitgespreid op de tafel, maar de meeste hield ik zorg- vuldig weggesloten.

Er stond in vele een hartelijke opdracht of een paar dichtregels, want ik had ze bijna alle van mijn vrien- den gekregen; die kraste ik er voorzichtig uit, onder- wijl de prijzen berekenend.

Ik dacht, dat de man me wel de helft van de waarde zou betalen, en omdat ik veel nieuw uitgekomen romans in sierlijke banden bezat, meende ik, dat twintig boeken zeker genoeg zouden zijn, om me de som in te brengen. Met groote liefde keek ik de tot verkoop veroor- deelde nog eens door, en schreide zachtjes, omdat ze me toch allemaal zoo lief leken en een stuk van mijn eigen leven. Zoo vond de koopman mij, die de kamer, mijn Herinneringen 5 66 japon, mijn handen, met één blik taxeerde, de boeken even nonchalant en minachtend opnam, en er vijf gulden voor bood.

Ik voelde me pijnlijk beschaamd en ongelukkig, omdat hij zoo regelrecht tegen alle welwillende en beleefde omgangsvormen inging, en me zoo duidelijk te verstaan gaf, dat ik hem mijn minderwaardige bezittingen voor te veel geld wilde opdringen; blozend en met troebelen blik liep ik opnieuw naar de boeken- kast en droeg een tweeden stapel aan; in een nevel van tranen zag ik Nietzsche, Shelley, de Mei, Baude- laire, door zijn vleezige, korte vingers betast worden en weggeworpen.

Ik boog me nog eens, en ik bemerkte den dwazen drang in mij, den man er van te overtuigen, dat ik waarachtig eerlijke bedoelingen had, en niet méér van hem wilde aannemen, dan hij redelijkerwijze geven kon: Mijn lippen beefden; de kast was bijna leeg, en alleen een paar boeken, die ik uitge- zocht had, om hem voor te lezen, stonden nog in een hoek.

Toen stemde hij dadelijk toe, legde het geld zelfs terstond op tafel; — en na een kwartier waren de boeken op een wagentje afgehaald. Het scheen me, alsof er een verontreiniging in mijn kamer was blijven hangen. Ik schoof het raam open, keek even schichtig om, naar de leege gaping van mijn open boekenkast, en voelde mijn hart nog bonzen van schrik en spanning en afkeer.

Kerk hof begraafplaats , o. Kerk'kamv bonte kraai , v. Sederland met een aartsbisdom en vier suffragaan-bisdommen is een —provincie; —recht R. Kermes' schildluis in Z. Ker mis jaarmarkt, vroeger ter gelegenheid van het feest der kerkwijding , v. Kern karnton , v. Kern pit, steen eener vrucht , v. Kern achtig pittig, vol gehalte , bn. Kers kerseboom , m. Kers kruisbloemig kruid, bitterkers , v. Ker'sebloei bloesem of het bloeien van den. Ker spel kerkdorp, parochie, kerkelijke gemeente , o.

Kerstavond de avond vóór of van Kerstdag , m. Kerstdag één der twee feestdagen van Kerstmis, nl. Kerst feest het feest van de geboorte van Christus , o. Kerst'mis christelijke feestdag van de geboorte van Christus , v. Kers'versch geheel versch , bn.

Ker'vel schermbloemige plant , v. Ker ven inkepen, insnijden, hi reepjes snijden , ik korf, heb -korven; tabak -, visch -. Ke'tel vaatwerk , m. Het zou kunnen dat nog auteursrecht rust op delen van dit object.

Gevonden in dit boek Geen zoekvraag opgegeven. Zoeken in dit boek zoek. Keg, kegge wig , v. Kei len over het water scheren , ik heb — -keild. Kei'zershof de residentie, ook de omgeving des keizers , o. Kel'der ondergrondsche ruimte van een huis , m. Ke len de keel afsteken, slachten , ik heb het varken — keeld. Kelk beker , m. Kemp, ken'nip hennep , v. Kemp haan steltlooper, snipachtige vogel , m.

Ken nen weten, verstaan, bevatten , ik heb — kend; zijn les —, iets van nabij —. Ken nis wetenschap, kunde , v. Ker men ikreunen, weeklagen , ik heb gekermd; - van pijn.

Kern spreuk krachtig en kort gezegde , v. Ker'sebloei bloesem of het bloeien van den kei-s , m. Ke'tclboetcr ketellaplier , m.

Sluiten Opties voor uitsnede.

...

Nl sex advertentie sex




Ik bedacht het eenvoudig in een enveloppe te doen, en 't door het zoontje van de juffrouw hem te laten brengen. Maar natuurlijk zou hij dadelijk begrijpen, dat 't van mij kwam, en, niet vermoedend van hoeveel weifelen en strijd dit couvertje zonder een woord er bij de uitslag was, zou hij er misschien een zelfgenoeg- zame hoogmoedigheid in zien, en, weerloos-bezeerd, mijn grove gevoeligheid verwenschen.

Als ik me maar voor een familielid van hem durfde uitgeven, een oom, een neef, een oude erftante des- noods Maar ik wist absoluut niets van zijn om- standigheden af; ik wist niet, uit welke stad hij kwam en niet, of hij broers en zusters had; alleen had ik op zijn schoorsteen het portret van een mooie vrouw zien staan, die ik zijn moeder noemde, omdat in haar oogen hetzelfde berustende heimweh lag, als in de zijne, en ik ook de lijn van het voorhoofd en den neus meende te herkennen.

Waarom hij dit geld opeens zoo noodig had; waar- om hij het niet aan zijn vader vroeg, — ik wist het niet, en ik wilde het niet weten. Het speet me alleen, dat ik 't nu niet waagde, hem de som onder den naam van een broer of zuster toe te zenden, omdat ik niet wist, of die bestonden. Eén plan was er, verleidelijk boven alle andere, dat telkens weer voor mijn verbeelding oprees: Maar juist de overstelpende vreugde, die mijn hart vervulde, bij de gedachte alleen al aan deze mogelijk- heid, gaf mij de overtuiging, dat ik hem dit niet voor- stellen mocht.

Want wat hij mij zou geven, — den rijkdom van zijn diepen geest en zijn edel gemoed, — waren schatten, die met geen goud ter wereld te betalen zouden zijn, en het leek me verraad hem in dezen tijd van zorgen aan mij te binden op een wijze, die hij, toen hij vrij was, niet zelf gekozen had. De middag gleed onhoorbaar langs, en ik vond geen plan, dat me bevredigde.

Ik huilde van woede, omdat het geld in mijn la lag, en hij toch zijn lieve boeken zou verkoopen, en er verdriet over zou hebben, omdat ik zoo stomp was. De juffrouw kwam om te dekken; ze stak het licht aan, pookte de kachel op, en wilde de kamer vroolijk en gezellig maken.

Maar ik vond dat, in mijn verslagen- heid, een ongepaste luxe, stuurde haar de kamer uit met de meedeeling, dat ik dien dag niet eten wilde, en nam het bankbiljet uit de la van mijn bureau.

Ik wist, dat, als ik nu nog lang weifelde, het te laat zou zijn en ik het me eeuwig zou verwijten. Toen scheurde ik een papiertje van mijn bloc-note, en schreef staan- de, ineens achter elkaar: Ik hoop, dat je het zult willen doen.

Anders wil ik je liever niet meer zien. Het was voor het eerst van mijn leven, dat ik daar zat, met mijn armen over mijn borst en mijn lippen geklemd, in die opperste spanning van verbeiding, die in de belangrijkste jaren van een vrouweleven haar belang- rijkste bezigheid pleegt te zijn.

Tot dien gedenkwaardigen avond was ik een leven- dig, belangstellend, ijverig en bereidwillig kind ge- weest, dat van boek naar boek greep, van les naar les snelde, maar dat te onberoerd was van hart, om werkeloos-wachtend neer te zitten in de schemering. Nu was voor het eerst een mensch me zóó na getre- den, dat een woord van afkeuring van hem voor mij rampzaligheid, en een woord van lof geluk beteekenen zou.

Ik hield mijn handen tegen mijn hart gedrukt, om met verbazing zijn bonzen te voelen, en ik trachtte de zinnen terug te vinden, die ik hem geschreven had. Mijn God, was het niet alles verkeerd geweest? Was niet elk woord er naast? Had ik hem niet nog eerder het geld zonder iets er bij kunnen zenden, dan zoo'n verwerpelijk briefje?

Nü wist ik pas, wat ik had moeten zeggen; nu had ik eerst den goeden toon, eenvoudiger, hartelijker, met minder pretentie. Zin na zin wond zich af in mijn hoofd, verleidelijk-luchtig, eerlijk-overtuigend, schuch- ter-fijngevoelig; het werd een obsessie telkens weer 20 hetzelfde begrip in nóg simpeler, nóg smeekender woorden te kleede».. Hij zou me zoo dom vinden, hij zou me zoo minachten; en ik had niet eens gezegd, hoe mateloos mijn vereering voor zijn hoogheid was Na een uur werd er gebeld; ik wist, dat hij het was.

Op dat oogenblik was ik er van overtuigd, dat het voor hem veel dragelijker geweest zou zijn, al zijn boeken te missen, dan mij iets schuldig te wezen, en in schaamte over het verdriet, dat ik hem had aan- gedaan, door zijn trots niet meer te ontzien, sloeg ik mijn handen voor mijn oogen, en bleef ineengedoken zitten.

Hij kwam binnen, vlug en stil als altijd. Hij liep zacht op me toe, trok mijn handen van mijn gezicht en hield ze vast en hevig in de zijne; ze waren nu beide zoo veilig geborgen, dat ik glimlachte, ondanks al mijn angst. Ik keek langzaam naar hem op; zijn oogen blonken, maar er was een pijnlijke trek om zijn mond, en zijn stem klonk bijna verwijtend, toen hij zei: Het is zóó lief van je bedacht.

Maar het is verschrikkelijk, o, je wéét niet, hoé ver- schrikkelijk het is, om geld aan te nemen van een meisje. Dan mocht ik altijd bij je blijven, en alles voor je doen. Als ik een jongen was. Ik 21 heb er al zoo lang naar verlangd, maar bijna niemand heeft hem. Hij vroeg mijn meening over een studie, die hij kort geleden gepubliceerd had, en ik, die zijn werken evenmin voor gewoon-menschelijke kritiek vatbaar 'achtte als den bijbel, stamelde: Zeg het maar eerlijk. Kon ik hem zeggen, dat het lezen van zijn werk voor mij was als een onder- dompelen in een sterkend bad; dat ik bij ieder woord hoorde, hoe zijn stem het zou zeggen; dat ik telkens vol vreugde eene gedachte herkende, die hij op onze bijeenkomsten uitvoeriger had ontwikkeld; maar dat ik nooit lette op onderdeden, en nooit een oogenblik aandacht had gehad voor den logischen opbouw van zijn betoog, of den gang van zijn statige zinnen.

Proza is toch eenmaal van anderen aard dan poëzie, en daarom Dadelijk was hij klaar om in dit opzicht mijn opvoeding ter hand te nemen, en toen, zooals gewoonlijk, om een uur of acht de anderen binnenkwamen, vonden ze mij op mijn knieën bij de kachel, bezig brood te roosteren en op te knabbelen, om mijn gemiste diner in te halen, en hem naast mijn hoofd op de tafel gezeten, met overdreven cadans de eerste zinnen van Potgieter's Rijksmuseum aan het declameeren, om me in de geheimen van de proza- techniek in te wijden.

Toen overviel hém weer een van zijn prachtige verontwaardigingen, en, in een huiverende stilte, zei hij de onsterfelijke regels: Een paar dagen later kwam hij me Spinoza brengen en het schema voor een studie over Oud-Noorsche sagen. Hij bleef nu geregeld bij me komen zooals vroeger, en zonder bizondere emoties ging het leven zijn gang. Maar tegen het eind van de maand begon ik te be- merken, dat ik bijna geen geld meer over had.

Ik vond het een grappige, nieuwe sensatie; ik liet me door allerlei vrienden ten eten vragen, borg mijn onbetaalde rekeningen zorgeloos in mijn portefeuille, en trok, toen de laatste gulden was verdwenen, nog ruim een week, voordat officieel de Kerstvacantie begon, naar mijn familie, om daar mijn ontredderde financiën weer in orde te brengen.

Het was mijn eerste terugkeer in het huis van mijn jeugd, en, na een ochtend van onwennig rondzoeken, hernam het geregelde leven van zooveel jaren zijn volle macht over mij. Zoo onwezenlijk en als alleen gedroomd schenen me nu de enkele maanden van vrijheid, dat ik nauwe- lijks er naar terug verlangen kon, en toen ik eindelijk, ver in Januari, wezenlijk weer in mijn zonnige kamer stond, en de, nog bijna onberoerd gebleven, witte bandjes van Spinoza me op mijn schrijftafel zag wach- ten, had ik het gevoel mijn vroegere leven geheel ont- groeid te zijn.

Ik voelde me vreemde tegenover mijn meubels, waarvan de banale netheid me opnieuw ergerde, vreemde tegenover mijn vrienden, wier luiden, vrijmoedigen toon ik was ontwend, en de eerste week leefde ik in groote onrust door.

Hij kwam niet bij me; liet niets van zich hooren. En ik zei tot mezelf, dat hij er ook niet de minste reden toe had, terwijl ik voor de zooveelste maal het papier uitrolde, waarop ik alles geschreven had, wat ik hem bij ons weerzien vragen wilde, niet alleen duistere plaatsen bij Dante en taalkundige moeilijkheden in Floris ende Blancefloer, maar ook levensvragen, als: Ik voelde me zóó ver van hem af, dat ik er aan twijfelde, of ik hem nog wel ooit zou weten te be- reiken.

Maar op een avond bracht een van mijn vrienden een zeldzame uitgave van Plotinus mee, om me zijn nieu- wen aankoop te laten bewonderen, en dadelijk her- kende ik het boekje, dat ik voor eenige weken van hém ter leen had gehad, en waarvan ik vergeefs had getracht den zin te doorgronden. Den volgenden morgen, zoodra ik op was, ging ik naar hem toe, bijna blij, dat mijn jagende onrust mij dwong de vervreemding tusschen ons te verbreken.

Ik liet me niet aandienen, maar ging regelrecht op zijn kamerdeur af. Er brandde geen vuur, zoodat het er kil en vochtig was; op den schoorsteen stond alleen nog het lieve portret, en er naast lag iets blinkends, dat ik niet dadelijk onderscheiden kon.

Toen hij mij zag, sprong hij verward op, en maakte een afwerend gebaar; er was iets ongeduldigs in zijn manieren, alsof hij juist alles goed geregeld had, en nu zijn plannen weer in de war zag gestuurd. Maar ik hield me, alsof ik niets bizonders aan hem merkte, en terwijl ik de heeschheid van mijn stem door een glim- lach trachtte goed te maken, zei ik langzaam: Daarom kom ik maar naar jou.

Ik weet wel, dat het niet comme il faut is. Maar ik wou eens kijken, hoe je het maakt. Waarom brandt je kachel niet? Het is hier zoo koud. Ik vind 't lekker zoo; maar als jij. Hij begon heen en weer te loopen, en beet zich op de lippen. Ik voelde, dat hij er over dacht me te ver- zoeken heen te gaan en me niet verder met zijn zaken te bemoeien. Ik voelde, dat hij hartstochtelijk zocht naar het woord zóó hoog en fier, dat het hem voor- goed van mijn indringerige belangstelling zou bevrij- den, en toch zoo waardig-zacht, dat het me niet won- den kon.

Maar ik hield me aan zijn bureau vast, alsof ik eiken voet grond tot de deur tegen hem zou willen verdedigen, en bijna uitdagend begon ik opnieuw: Ik heb er den vorigen keer maar een schijntje van begrepen, en ik wou graag. Ik dacht er over een eind te maken aan de comedie, en hem de volle waarheid te vragen, maar ik kon geen overgang vinden, en daarom ging ik door: Maar geef me dan een ander boek.

Ik heb er in de vacantie naar verlangd weer eens prettig, geregeld te gaan lezen. Ik had nog nooit een vuurwapen betast, en besefte de dramatiek van het oogenblik ten volle.

Ik wil 't niet hebben. Je bent laf, je bent een lafaard, dat je zoo iets kunt willen doen. O, als alles goed gaat, dan kunnen jullie mannen wel leven, dan ben jullie de heeren der schepping, Je hebt geen schijntje gevoel van verantwoordelijkheid; je hebt geen idee van zedelijken plicht. Je denkt er alleen aan, wat je op 't oogenblik het makkelijkst is Ik kan het niet dragen.

Ik heb een beetje recht op je. Toe, beloof me, beloof me eerst Ik droogde ener- giek mijn oogen af, streek mijn haar achterover, en ging vastbesloten in de vensterbank zitten.

Natuurlijk moet je doen, wat je zelf wilt; natuurlijk gaat het mij niets aan, als je Als je dat nog voor me zoudt willen doen, je plan motiveeren. Ik heb alles gedaan om er bovenop te blijven. Ik heb gewerkt, geschreven, baantjes gezocht Ik heb niets meer om te verkoopen; en nu komt er schande over mijn naam, als ik niet op tijd aan mijn verplich- tingen voldoe.

Het eenige is, dat ik er een eind aan maak. Alleen om wat geld heb je ons al die afgesleten derderangs-opera-attributen van den uitgehongerden jongen man, de revolver, de vrouwetranen en de verzoening nog eens voor 't front laten brengen!

Alleen om wat geld heb je jezelf zoo bleek en afge- tobd en rampzalig gemaakt? Maar vind je eigenlijk zelf het effect toch niet een beetje mager? Ik wist niet, waar ik ze vond; ik wist niet, wat ik er mee bereiken wilde.

Ik voelde alleen een blinden drang in me, om hem er toe te brengen zijn voornemen ridicuul, melodramatisch en minderwaardig te vinden en daar- voor was geen middel mij te bruut, geen aandrang onwaardig. Een fel rood klom tot zijn blank voorhoofd op, en hij trok ongedurig met zijn schouders. Ik weet wel, dat ik hier voor je sta, als de ridder van een zeer miserabele figuur. Maar ik héb niets, en ik wacht niets. Over drie weken is de termijn verstreken, en moet ik honderd vijf en twintig gulden betaald hebben, over drie maanden wéér honderd vijf en twintig gulden, en zoo eindeloos door.

Het stapelt zich om me op; ik zie geen uitweg, ik kan 't niet langer uithouden Neem me niet kwalijk; maar nu wordt 't 31 hcusch vermakelijk! Au fond is er niets banaler dan slechte romantiek. Maar ik weet geen beter einde te vinden. En je bent voorbestemd om in het slotbedrijf met de prinses te trouwen, en als koning op een kameel voor het voetlicht te komen, terwijl stoeten onderdanen alle mogelijke schatten aan je voeten uitspreiden.

Bederf het spel dus niet in den aanvang. Verderop stonden lacherige dienstmeisjes aan een groentewagen inkoopen te doen, en een vrouwtje liep met een kinderwagen, langzaam zich te goed te doen aan het mooie weer.

Alles buiten ging degelijk, tevreden en harmonisch zijn gang, ter- wijl hier een man, die jong was, die talent had en schoonheid en levenslust, geen plaats zou kunnen vinden op de wereld, en besloten had maar stilletjes weg te gaan.

Ik stond met mijn rug naar hem toe, en legde mijn handen over mijn heete oogen. Maar nu moet je me ook heelemaal vertrouwen. Nu mag ik ook over drie weken. Weet 32 je wel, dat ik niet 't minste geloof meer heb in je socialistische neigingen, als je zooveel waarde hecht aan privaat bezit?

Het is toch geen verdienste van mij, dat mijn ouders me meer hebben nagelaten, dan ik noodig heb Toe, praat er niet meer over, en denk er niet meer aan. Ik hief mijn gezicht naar hem op, dwong alle zorg-gedachten weg uit mijn hoofd, en hield mijn blik rustig en open in de zijne.

Je weet, dat ik 't niet hebben wil, als 't je ook maar eenige moeite kost,. Ja, je dwingt me om op te snijden over mijn fortuin, als de eerste de beste patser.

Nu hij weer opgewekt keek, viel 't me nog meer op dan te voren, dat hij er uitgeput en ver- vallen uitzag; er waren zwarte kringen onder zijn oogen, en zijn lippen zagen paars. Maar zijn oogen brandden schitterend, en hij stond zoo rechtop, alsof hij herboren was.

Laat de juffrouw dadelijk eieren en boter en melk halen, wacht, ik zal 't wel even gaan vragen, — en de kachel moet aangemaakt worden, en de kamer opge- ruimd. Ik had het eene raam hoog opengeschoven, zoodat de pittige, opwekkende winterlucht vrij naar binnen golfde, en hij lag op de canapé, glimlachend met de oogen dicht, volslagen afgeloopen, maar be- rustend in de plotselinge verandering van zijn lot. Ik voelde mijn zenuwen tot het uiterste gespannen, en er was een zoo geweldige drang tot actie in me, dat ik maar het liefst dadelijk naar buiten gebroken zou zijn, om, door den wijden winter zwervend, me aan de meest excessieve toekomstplannen over te geven.

Maar ik dwong me stil te zitten, met een rustig-blij- moedig gezicht, en met zachte zorgen om hem heen te zijn, totdat zijn uitvoerige maaltijd tot in de klein- ste finesses correct was verloopen. Ik dacht altijd maar, dat ik moest trachten het geld uit te zuinigen op mijn maaltijden, ik wilde het altijd met mijn eten vinden; maar dat is zoo'n nega- tieve manier, en je wordt er rampzalig van.

O, je weet niet, hoe goed het doet, weer eens ordentelijk gevoed te worden. Niet meer grübeln, niet meer denken Denken ist eine sauere Arbeit Ik kom wel eens kijken, of je je aan mijn voorschriften houdt. Toen, eensklaps, verstrakte mijn gezicht; ik ging langzaam en ernstig zijn steile trappen af, en bij iederen stap woog mij de gedachte zwaarder: In normale tijden zou het mij betrekkelijk gemak- 35 keiijk gevallen zijn tenminste een groot deel van de som van mijn ruim maandgeld over te houden, maar door de twee honderd gulden van een paar maanden geleden, en vooral door mijn zorgeloosheid, toen mijn kas uitgeput bleek, waren mijn financiën in zeer slechten staat geraakt; ik had nog verschillende kleine schulden, en, zelfs zonder buitengewone uit- gaven, zou ik moeite hebben gehad die maand rond te komen.

Maar, ofschoon ik dus voorloopig geen uitweg zag, en zeifs geen begin van een plan de campagne kon vinden, — toch twijfelde ik er geen oogenblik aan, of ik het geld bij elkaar brengen zou.

Het moest, en daarmee was alles gezegd. Mijn wil scheen me sterk genoeg, om het leven te dwingen. Ik was niet van plan me door de omstandigheden te laten ringelooren, en ik beloofde mezelf, dat ik hem over drie weken het couvertje zoü brengen, al moest ik het huis aan huis bij elkaar bedelen. Zoodra ik thuis was, ging ik, bang om een oogenblik te verliezen, aan mijn schrijftafel zitten, en begon de laden na te zoeken, die vol lagen met slordig door elkaar geraakte schetsen, verzen, brieven, balboekjes en menu's.

Ik had in dien tijd zoo'n afkeer van publi- ceeren, dat ik altijd stapels copy in voorraad had. Ik sorteerde een zestal verhaaltjes, die me redelijk ge- slaagd voorkwamen, nam mijn statigste postpapier en een nieuwe pen, en adresseerde ze, met beleefde bege- leidende briefjes, die om spoedige plaatsing vroegen, naar verschillende tijdschriftredacties.

Ik frankeerde ze dadelijk, en vertrouwde ze aan de juffrouw toe om ze cito cito te laten wegbrengen, met een zucht van ,,God zegen de greep. In mijn portemonnaie had ik één gulden zeven en dertig cent; ik zou mijn weekboekje bij de juffrouw, het eenige, dat ik dadelijk moest voldoen, wel tot drie of vier gulden kunnen beperken,. Ik voelde me door deze becijfering-in-de-ruimte aanmerkelijk opgelucht. Dan had ik nog als bron van inkomsten gerekend op de verhaaltjes, 37 die ik zou schrijven Ik zuchtte, en bekende mezelf, dat de vraag: Ik begon nu alle dingen van mijn kamer met groote aandacht, en alsof ik ze voor 't eerst zag, te bekijken.

Alle muurversieringen, alle kleine ornamenten, alle luxe-dingen waren van mij: Dan waren er schemerlampjes, kussens, sarongs, pulletjes, een koperen kaarsenkroontje en een oude klok, zonder welken overbodigen opschik geen moderne kamer meer gezellig is te noemen; ik had een tijd lang Tanagrabeeldjes en Kopenhaagsch aardewerk verza- meld; ik bezat een boekenkast met in tweeën gedeelde, draaibare planken, — en dan was er in de slaapkamer nog mijn ledikant, en al mijn jaoonnen en mantels en hoeden, mijn sieraden, mijn laarzen, mijn borstel- garnituur en mijn toilettafel, En wat zouden ze wel van me denken, als ze me daar bezig vonden mijn zilveren theelepeltjes te laten taxeeren of de qualiteit aanprijzend van mijn cloisonné vaasjes?

Voor mezelf zou hun meening me geheel onver- schillig laten, maar als ze het kanaal eens vonden, waarlangs mijn geld weggevoerd werd; als ze eens onder elkaar vertelden: En als de juffrouw eens iets begon te vermoeden, en mijn' familie waarschuwde, die me dadelijk onder liefdevolle controle zou stellen! Weer keerden mijn gedachten naar mijn uitgangs- punt terug: Het eenige, dat ik op 't oogenblik kon doen, en dan ook onmiddellijk doen moest, was: Er was nog vleesch over van de koffie, ik had nog een blikje sardientjes, een potje paté, eieren, melk, China's- appels, koek, roggebrood en een mandje met vijgen; — verhongeren behoefde ik dus voorloopig nog niet, al schafte ik het warme eten ook af.

Ofschoon het nauwelijks vier uur was, maakte ik een paar boterhammen en een kop melkchocola voor me klaar, verorberde alles met dankbaren eetlust, en borg vervolgens het gebruikte vaatwerk zorgvuldig in mijn boekenkast, opdat de juffrouw niets van dezen maaltijd zou bemerken. Toen zette ik me weer aan mijn schrijftafel om het schetsje af te maken, vocht tegen den onwil, die me altijd overviel, als ik nog doorschrijven moest, nadat voor mijn gevoel het hoogtepunt er was geweest, en werkte, tegenstribbelend en mezelf hoonend door, tot het buiten zes uur speelde.

Het heele huis was toen met een aangenamen geur van eten vervuld; boven hoorde ik de borden ramme- len en de vorken kletteren, en een genoeglijk stemmen- geroes van etende menschen gonsde door de gang. Het was vinnig-koud, de lucht was melkwit van maan en ster- 40 ren, en de oude grachtjes lagen blank oversneeuwd. Er waren weinig menschen op straat, iedereen was natuurlijk aan tafel; en ik genoot van het trotsche gevoel, dat ik hier alleen buiten liep, en dat niemand wist of vermoedde, dat ik honger had en niet eten zou.

Ik keek naar de kleine, oude huisjes, en naar de tuffende, stootende motorbooten, die hun rooden iichtglans op het water wierpen, met nieuwe oogen. Ik knelde mijn handen, diep in mijn zakken, tot vuis- ten, en wierp mijn hoofd achterover, den pralenden hemel tegemoet. Sterk en gelukkig voelde ik me. Ik besefte, dat ik voor 't eerst de moeilijkheden van het leven zou leeren kennen, en mijn hart was overvol van moed.

Ik zou me nooit gewonnen geven. Mijn wil zou nooit breken. Ik zei het nog eens in de stilte, met een plechtige stem, als een belofte aan de wintersche wereld: Een teederheid welt op in mijn hart, en misschien ook wel een beetje sentimentaliteit; het is me, alsof ik over een jonger zusje schrijf, een lief, jong zusje, dat vroeg is gestorven. Ik sluit mijn moeë oogen, en ik zie, hoe ik daar dien avond moet hebben gestaan, een ernstig, extatisch kind, in een langen wintermantel, met de handen in wollen handschoenen; met naar achteren geborsteld haar, simpel, zonder eenige ver- fijning.

Ik zie mijn ronde, onberoerde wang, en de overdauwde oogen, die ik van oude kinderportretjes ken; ik glimlach over de naïve zelfmisleiding, waar- mee ik, ondanks een stevig maal van twee uur geleden, me romantisch verbeeldde, dat ik eigenlijk honger 41 leed; — maar ik zucht, omdat, naast die kinderlijk- onechte opschroeverij, in mijn hart de wel heel ern- stige, kinderlijke bereidheid bestond om wézenlijk te hongeren, om wézenlijk alles te offeren, om te sterven desnoods, als daardoor dat ééne leven maar werd behouden, waarvan mij, in den meest absoluten zin, het heil van de wereld scheen af te hangen.

Ik ben oud geworden, nuchter, practisch, critisch; en ik denk: En als ik iets voor hem wilde doen, had ik dan niet een- voudig een kleine som bij mijn bankier kunnen opvra- gen, die zijn jong cliëntje zeker niet met formaliteiten lastig gevallen zou zijn; — beter dan dat ik mezelf tenslotte een soort hongerrégime oplegde, dat toch alleen negatieve resultaten kon opleveren.

En het is me, alsof mijn verre, oude zelf, alsof dat kind, dat haar oogen vol droom naar de sterren hief, mij antwoordt: Het geheele geval had zonder eenige romantiek, nuchter en soliede kun- nen verloopen, met een cheque of een aangeteekenden brief of een telegrafischen postwissel, als ik niet juist aan de poort van het leven had gestaan, met mijn ontwakend hart, dat hunkerde om zijn groote offer te brengen.

En toen het een kans zag, wist het van geen practische bedenkingen meer. In het eerste drama, dat een mensch beleeft, is hij zelf meestal zoowel de eenige acteur, als de auteur van den gang der gebeurtenissen.

Dan is zijn fantasie nog sterk genoeg, om alléén te spelen tegenover een stel philosophisch zwijgende poppen, om alleen aan 42 elke daad een beteek. Later, als men sentimenteel en veeleischend is ge- worden. Maar nu wil ik over den aanvang spreken, over den eersten droom; over mijn eerste drama, waarin ik, met zooveel ingehouden toewijding, alle rollen heb gecreëerd; totdat een ander, te vroeg, het scherm liet vallen.

De weken, die volgden, stonden buiten het gewone leven, en de voortgang der dingen scheen veran- derd. Als ik er aan terugdenk, is het me, alsof het één lange, lichte dag is geweest, druk, roezig, vol span- ning; en toch met uren zóó stil, dat ik mijn hart, als een bloem, voelde trillen en opengaan; één strijd met de omstandigheden, met de vijandige wereld, met ziekte en honger; en toch heb ik het leven nooit meer zoo innig, zoo volkomen lief gehad.

Ik denk aan het beste, dat het me later nog heeft gegeven, aan de, dagen in Florence, aan den middag in het bosch bij Brussel, — aan den avond, dat ik met reikende handen mijn vrijheid heroverde, en ik zeg: Neen; zóó volmaakt, als in dié dagen is de gelukkig- heid nooit meer over me gekomen; zoo diep, als bij 43 den eersten dronk, heb ik de vreugd en het leed niet meer genoten. Ik voelde me soms als een gekooid beest, dat in benauwing zijn nagels om de tralies slaat; maar 't ijzer geeft niet mee, en een uitweg vindt het niet.

Ik leerde voor 't eerst de wreede eenzaamheid kennen, van 't naar uiting hunkerende hart niet meer aan anderen te kunnen openbaren; van alleen den schat van zaligheid en zorg te moeten dragen, waarvan niemand iets vermoeden mocht.

Ik stond voor het eerst, borst aan borst, tegenover de onaantastbaarheid van het leven, dat voortwentelt over dood en lijden heen, en zich noch aan smart- kreten, noch aan stille tranen stoort. En als ik een oogenblik van zwakheid had, als het me even duizelde, omdat alles me zoo ernstig en geweldig leek, — dan overstroomde toch telkens me weer de heerlijke zekerheid, dat alleen hij zal over- winnen, die zijn kracht met het lot durft meten, die de afmattende worsteling niet schuwt; — en ik richtte me op, en liep weer onder de menschen, in de lichte straten, met een lach als zij, en ik praatte en bewoog, alsof dit uiterlijke bestaan ook voor mij het eenige was.

Ik was in die dagen nooit moe, of dof, en toch heb ik nooit meer zooveel gedaan. Ik werkte hard en lang voor mijn examen, omdat ik zoo gauw mogelijk klaar wilde zijn, en dan een betrekking wilde zoeken, waar ik veel verdiende.

Ik bedacht met een geluk- kigen glimlach, dat, van mijn plannen om naar Voor- Indië te gaan, voor mijn dissertatie, — van al mijn reis- en onderzoekingstochten, in zorgeloos egoïsme bedacht, — voorloopig niets zou kunnen komen; om- 44 dat ik me nu aan het eerste 't beste achterhoeksche dorp zou laten binden, als ze me genoeg wilden laten verdienen, om iedere drie maanden honderd vijf en twintig gulden over te houden.

Ook schreef ik elk vrij oogenblik aan schetsen, kritieken, en een wetenschappelijke verhandeling, over welker fantastischen overmoed ik nu wel stil moet glimlachen. Ik verstelde zelf mijn ondergoed, stopte mijn kousen, waschte mijn handschoenen, en eens ging ik zelfs naar de juffrouw van een hand werkwinkel toe, om haar te vragen, of ze ook werk voor me had.

Maar toen ze hoorde, dat ik studeerde en schreef, deed 't goede mensch zoo afkeerig, alsof haar reputatie op het spel stond. Er werkten zooveel gediplomeerde meisjes voor haar; er was op 't oogenblik slapte in zaken, maar als 't voorkwam, zou ze wel eens aan me denken.

Ik was nog te idealistisch en te zeer begeerig om mijn leven met schoone gedachten en edele gevoelens te vullen, om smaak te kunnen vinden in een luchtig geschreven vertelling, in een van die kleine meesterwerken van moderne schrijfkunst, die van weemoed en cynisme aaneengeweven zijn. Mijn hart wilde verrijkt worden en herkende zijn eigen toekomst in de grootsche offer-bereidheid, in de daden van zelfverloochening 45 van vroeger eeuwen.

Mijn hart wilde de gelijke zijn van Alcestis, van Portia, van Héloise, Als ik bij hem kwam, was hij altijd opgewekt en vol moed, maar dikwijls beangstigde mij de stralende glans van zijn groote oogen, koortsig lichtend uit zijn versmald gezicht. De emoties en ontberingen van de laatste maanden hadden hem zóó verzwakt, dat hij niet meer uitging, maar den heelen dag doorbracht op zijn «kamer, wat schrijvend, wat werkend, wat.

Toch was zijn leven vol bewogenheid, want van binnenuit waren geweldige krachten aan het werk, ec de plannen voor de boeken, die hij schrijven zou en de stelsels, die hij zou ontwikkelen, maakten zijn eenzaamheid zóó rijk, dat ik hem soms met een donkere kleur en brandende oogen aan zijn schrijf- tafel vond, gejaagd de quintessens van zijn gedachten noteerend, alsof hij bang was, dat hem niet genoeg tijd gelaten zou worden.

Nog altijd wist ik niets van zijn omstandigheden af. Op een van onze eerste middagen had hij me gezegd, dat ik nu het recht had alles van zijn leven te weten, en dat hij me nu behoorde uit te leggen, hoe het eigenlijk kwam, dat hij Maar ik had hem gesmeekt er mij niet over te spreken; ik kon de gedachte niet verdragen, dat mijn geheimzinnige Lohengrin tot een gewoon mensch, lid van een gewone familie, met gewone familieverwikkelingen en gewone zorgen zou kunnen worden.

Hij moest zijn aureool behouden van eenzamen duider, die door een imbe- ciel noodlot vervolgd werd. Mijn weigering scheen hem goed te doen.

Hij zuchtte 46 opgelucht, en zei alleen: Toen spraken we er nooit meer over. Maar uit zijn verhalen over groote zwerftochten te paard over de hei, die hij 's zomers altijd maakte, over lange reizen met zijn vader, over diners, die zijn ouders gaven en zijn verzameling oude munten, merkte ik wel, dat hij in overvloed was opgevoed, en tot voor enkele maan- den nooit geldzorgen had gekend.

Ik bewonderde slechts te meer de gestadige blijmoedigheid, waarmee hij zijn burgerlijke, armelijke omgeving aanvaardde, en vooral het koninklijke in zijn manieren, dat hij, ondanks de knellende zorgen, tot het einde toe be- hield. Nooit sleten onze omgangsvormen uit tot de banale, gemakkelijke sans gêne, die zoo vaak van het elkaar goed en eerlijk kennen het gevolg is; nooit verwaar- loosden we een van beide de kleine beleefdheden, die het eigenaardige van onze verhouding verzachtten of verborgen.

Het gebaar, waarmee hij mijn mantel aan een kram in den muur ophing, en een hoekje op zijn bureau voor me leegruimde, omdat ik altijd graag hoog zat, als ik voorlas, drukte zooveel ridderlijke gastvrijheid uit, dat ik mij geen heerlijker ontvangst kon denken, en toen ik eens zijn inktkoker omgegooid had, en de juffrouw hem een buitengewoon onappetitelijk vodje had meegegeven om de calamiteit te verhelpen, reikte 47 hij het me met zooveel gracelijke waardigheid aan, dat ik, ondanks de geuren, aan den sluier van den draak denken moest, dien de moedige held na einde- loos veel gevaren te hebben getrotseerd, in de handen van de jonkvrouw neerlegde.

Zoodra ik bij hem was, voelde ik me vredig worden, helder en opgewekt. Al had ik ook den heelen dag gewerkt, in zorg, onrust en spanning; al hadden mijn gedachten zich ook eindeloos gepijnigd om een uitweg te vinden, — voor een bezoek aan hem kleedde ik me met de grootste zorg; ik maakte mijn haar opnieuw op, masseerde de rimpels in mijn voorhoofd weg, en ging dan tot hem, de armen neer, de handen open, overgegeven en vertrouwend.

Ik had in het begin gedacht, dat er van voorlezen wel niet zoo heel veel komen zou, omdat het moeilijk is, om, met een ander samen, zijn aandacht geheel op een boek te concentreeren. Maar het bleek weldra, dat we juist nooit zoo harmonisch voelden, als wan- neer mijn stem rustig door de stille kamer ging.

De kachel brandde dan knetterend; door het hoog-open raam scheen de strakke winterzon naar binnen, en strooide glans over het geplekte behangsel. Hij lag gewoonlijk op de canapé, en ik zat op het bureau tegenover hem.

Soms voelde ik, dat hij naar me keek, en dan las ik nog warmer, maar als ik mijn hoofd ophief, waren zijn oogen altijd neergeslagen, starend naar zijn witte handen.

Ik had in die dagen een groote liefde voor mijn eigen stem, omdat ze als een blank watertje was, dat van mij naar hem vloeide, een beekje, dat mijn gedachten als bloemen met zich nam. Als hij vond, dat ik heel mooi gelezen had, nam hij, vóór ik weg- 48 ging, mijn twee handen in de zijne, en wanneer hij maar mijn eene gedrukt "had, was ik boos en ontevreden over mezelf, omdat ik niet meer mijn best had gedaan. Meestal vatte hij, wanneer we een gedeelte beëin- aiga hadden, de waarde en de beteekenis van het gelezene in een paar zinnen samen, en het scheen me altijd, alsof alles dan veel grootscher en wijder werd, alsof eerst door hém de gedachten, die Hegel en Goethe en Plato verward hadden gevoeld, tot hun volle recht kwamen.

Ik begon ze te lezen, met voorzichtige, tastende stem. Buiten was wind en zon en de forschheid van een winterdag; maar in de kamer werd alles zóó teer, dat ik nauwelijks méér durfde doen, dan de woorden fluisteren. Zoo kwam ik aan deze regels van beang- stigende zuiverheid: O, als ik dood zal, dood zal zijn, Kom dan en fluister, fluister iets liefs, mijn bleeke oogen zal ik opslaan en ik zal niet verwonderd zijn.

En bijna zonder iets te zeggen gingen we dien dag uit elkaar, omdat alles zoo droef en zoo heerlijk scheen Maar den volgenden middag klonk mijn stem weer klaar en vast, uren achtereen, terwijl ik een Engelsche beschouwing over de Stoa voor hem oplas. Hij schuwt het lijden evenzeer als de Epi- curist. Terwijl de Christen het aanvaardt, als een zegen, die hem sterker en beter maken zal.

En ik geloof, dat de school van het lijden tot zelftucht en tot zelfveredeling leidt. Het voert elk ernstig mensch vanzelf naar zijn Gethsemane. En ineens, zonder verband, zag ik Napoleon voor me, den kleinen, moedigen korporaal, die op het slagveld bij Waterloo stond, en wist, dat alles verloren was. De tranen sprongen me in de oogen, bij de gedachte aan al het leed, dat al op de wereld geleden was, en dat ik pas begon te begrijpen, nu ik er mijn eigen klein aandeel in had.

Ik keek naar hem op, en beloofde me, dat ik hem nooit alleen zou laten. Eens, toen ik zijn eerste deel van Spinoza had meegebracht, omdat hij me gezegd had, dat hij het graag terug hebben wilde, schreef hij voorin een kleine opdracht met zijn en mijn naam, en den datum van mijn eerste bezoek aan zijn kamer. Het is een groote schat, en ik heb er heerlijke uren aan te danken. Ik hoop, dat jij er ook van genieten zult. Maar ik vond het heerlijk een boek, dat.

Ik legde de drie bandjes rond mijn schrijfcassette heen op mijn bureau, en steunde altijd mijn arm op een er van, als ik schreef; ik verbeeldde me, dat er kracht van uitging, want het werk vlotte boven ver- wachting. En ik nam me voor, dat ik de boeken, heel dien onbegrepen schat van vernuft, zorgvuldig voor hem bewaren zou, en ze hem eerst dan terug zou geven, als het hem niet meer zou kunnen grieven door den schijn, dat ik zijn geschenk niet in waarde hield.

Nooit zou een ander er aan mogen raken. Er was niemand, die van mijn bezoeken af wist. Hem hadden ze al bijna vergeten, omdat hij zich in maanden niet had vertoond, en aan mij was uiter- lijk geen verandering te merken: Toen ik haar ging bedanken, zei ik, met een blij- moedigen lach, dat het ook zoo moeilijk was altijd aan je maaltijden te denken, terwijl er zooveel belang- rijkers op de wereld viel te doen; maar in stilte hoopte ik hartstochtelijk, dat ze geen onderzoekings- tocht in mijn kast zou hebben ondernomen, die haar alles verraden zou hebben.

Mijn proviand was volkomen weggeteerd, en ik leefde nog slechts van boterhammen en melk. Ik kon mezelf niet meer luchthartig uit eten vragen, omdat nu deze wijding over mijn leven was neergedaald, de vrienden van vroeger me hoe langer hoe vreemder werden, en buiten alles schenen te staan. Ik liet mijn kachel niet meer aanmaken, werkte, in mijn warmen jekker gewikkeld, met mijn lamp klein gedfaaid, soms tot diep in den nacht door, en toch waren, na een week, de dertig gulden nog maar tot vijftig aange- groeid, doordat een oom, die een paar maanden geleden mijn verjaardag had vergeten, zich juist op dit allergeschiktste oogenblik mijn bestaan had herin- nerd, en me de weldaad van een postwissel van vijf en twintig gulden aandeed.

Alleen over mijn boeken had ik de vrije beschik- king; noch de juffrouw, noch mijn familie voelden veel voor de rijen gladde ruggetjes, die mij het liefste van mijn bezittingen waren, — en als mijn biblio- theekje verdween, en er beeldjes of andere snuiste- rijen voor in de plaats kwamen, zouden ze daar niets vreemds in vinden.

Daarom had ik al eens, toen een van mijn vrienden een avond bij me was, hem terloops gevraagd, of hij ook boeken gebruiken kon.

Hij beloofde het, maar ik wist, dat ik er niets meer van hooren zou. Soms maakte ik het plan, het geld eenvoudig ter leen te vragen; het was toch eigenlijk maar een bagatel; niemand zou er iets tegen kunnen hebben. Maar dan bedacht ik weer, dat ik aan al mijn intieme vrienden wel eens kleine sommetjes had geleend, en dat vragen dan den schijn van terugeischen zou heb- ben; terwijl aan anderen, — o, ik voelde het, dat 54 ik veel liever iets heel ergs zou doen, stelen, als ik er kans op za»g, dan hun met een valsch glim- lachend gezicht, alsof ik het niets vond, het geld ter leen vragen, en dan een beleefd uitwijkend antwoord te krijgen, dat erger dan een weigering was.

Wanneer ik langs de groote, mooie winkels liep, waar voor duizenden guldens waarde uitgestald lag in het zonnelicht, of 's avonds nóg verleidelijker onder de stralende lampen, — dan voelde ik een sterken drang in me, iets er van weg te nemen, en hem zóó te redden. Er was geen enkel ethisch bezwaar, dat me weerhield; ik had me vroeger, met meisjesachtige ontoegankelijkheid, voor wat niet mijn eigen levens- sfeer betrof, nooit veel om sociale verhoudingen be- kommerd, maar, door zijn zorgen leek de inrichting van de samenleving mij nu ineens zóó immoreel, dat ik graag tegen haar wetten wilde zondigen.

Als er een vrouw met ruischende rokken en met sieraden behangen, langs me ging, of wanneer de meisjes op college plannetjes maakten voor een con- cert of een comedie, dan had ik moeite hun niet toe te roepen: En ondertusschen luisterde ik gespannen, als ze een paar dagen later de uitvoering samen bespraken, om hem, en passant, en of 't me toevallig 55 inviel, een verhaal over mijn schouwburgbezoek of over mijn concertavond op te disschen, opdat hij toch nooit aan mijn zorgelooze weelde twijfelen zou.

Ik had nog eens aan de verschillende tijdschrift- redacties geschreven, met het dringend verzoek mijn schetsjes spoedig te plaatsen, en, zoo mogelijk, dade- lijk het honorarium over te zenden. Ik overwon zelfs zóó ver mijn trots, dat ik over mijn geldgebrek sprak; maar de antwoorden, die na enkele dagen binnen- kwamen, waren van een ontmoedigende eenstemmig- heid: Uitbetaling van honorarium gebeurde nooit vóór het verschij- nen.

Als ik echter geduld had. Ik zat in verbeten wanhoop, en klemde mijn handen, dat de magere vingers kraakten. De gedachte, dat ik bij hem zou moeten komen en bekennen: Wanneer hij eenmaal wist, dat ook ik finantiëele moeilijkheden kende, wanneer hij niet langer geloofde aan mijn gemakkelijken overvloed, zou hij me nooit meer toestaan iets voor hem te doen, en hij zou lijden bij de gedachte, dat ik om hem iets had ontbeerd.

Moet hij dood gaan, terwijl jij jong en sterk en snugger en mooi bent, en toch iets moet hebben, of kunnen of weten, waar geld voor te krijgen is. Maar natuurlijk zouden ze, na dien eenen romanzin, me verder beginnen te vragen: De heele geschie- denis, mijn honger- en kou-lijden voor een man, dien ik bijna niet kende, de dreigende revolver in de la van zijn bureau, was te boekachtig om ergens geloof te kunnen vinden; ik zag al weer in gedachten het beleefde wegwijken der oogen, dat ik niet uitstaan kon, de belofte te zullen inf ormeeren, Ik maakte mijn haar los en liet het over mijn rug vallen: Als ik dat eens afknippen liet!

Ik zou er misschien wel twintig gulden voor krijgen En ik stelde me voor, hoe ik daar zitten zou in het kleine, verlichte kamertje, waar ik zoo dikwijls ach- terover in mijn stoel had gelegen, terwijl de oude man over me gebogen stond en langzaam en gestadig mijn hoofd masseerde, zachtjes prevelend: En de tint is zeldzaam Zoo laten de dames het zich 57 verven tegenwoordig Zóó maak ik pruiken Maar wie heeft het van nature.

Mijn God, hoe kon ik daar nu om schreien! Er waren toch zooveel erger dingen in de wereld; er was toch zoo nameloos groot leed, en zooveel verteerend zor- gen!

Maar ik zag mezelf met korte, vlassige haar- pruikjes, als een vrije vrouw van de akeligste soort, de collegezaal binnenkomen; ik hoorde de booze en verschrikte uitroepen van de tantes, die het natuur- lijk voor een nieuwe gril van hun grillig pupilletje zouden houden; en vooral stelde ik me de bedroefde verbazing op zijn gezicht voor, als hij me zoo leelijk zou zien.

Hij zou niet minder zacht en lief willen zijn, maar hij zou van me schrikken, zoo dikwijls hij onverwachts naar me keek. Hij zou niet gelooven, dat ik het zoo maar, om een inval, had gedaan; hij zou zoeken naar een reden, hij zou vermoedens beginnen te krijgen Ik bond mijn haar op, bijna verlicht; het kón niet. Het was onmogelijk iets met mezelf te verdienen. De wanhoop overviel me alleen, als nie- mand me zag, in mijn stille kamer, en als ik onder de menschen was, dan hield mijn trots zoozeer alle zorgen verdoken, dat niemand het zou wagen mij met een vermoeden te naderen.

Mijn maaltijden werden steeds soberder en zeld- zamer. Mat het de nieuwste delicatesse was. Mijn eenige, redelijk uitvoerige voedering gebeurde op het nabroodje van mijn vele letterkundige ver- gaderingen, waar soep, vleesch, groente, taart en vruchten waren; en ik zag met verbazing, hoe zorgeloos de anderen van het eene namen en voor het andere bedankten, terwijl mijn geheele aandacht meeleefde met het verwisselen der schotels.

Dan be- dacht ik, hoe, in een ver verwijderd leven, ook ik nooit een gedachte aan de belangrijkheid van de eet- kwestie had gewijd, — vroeger, toen alles nog vlak en leeg en onbelangrijk was, — en terwijl de wijn en het stemmengeroes mij opwekten, overstroomde me tusschen al die menschen, die van andere dingen spraken, opeens de zekerheid van een groote begena- diging; ik voelde mijn gezicht als openbloeien van geluk; en als er dan toevallig iemand naar me keek, plaagde hij: Na zoo'n avond, als ik zoo heerlijk jong onder jongeren was geweest, en zoo sterk had gevoeld, dat ik nog dóen kon, zooals zij waren, — dan voelde ik me sterker en moediger dan te voren, omdat ik weer de kracht in me wist, die doordreef, wat ik wilde, die nergens voor terugdeinsde en me nooit begaf; en dan 59 zei ik weer, dat het moest, móest, en maakte nieuwe, zonderlinge plannen, die me in zoo'n stemming alle- maal mogelijk schenen.

Zoo vaak ik 's nachts wakker werd, liepen de tra- nen van onder mijn gesloten oogleden, vóór ik me eigenlijk nog had kunnen herinneren, wat er ook al weer was; En toch, — iederen middag, als ik de donkere trap opstommelde en zijn bleek, fijn gezicht glimlachend al naar me uitkijken zag bij de deuropening; als hij levendig vertelde, van een nieuwe gedachtenreeks, die hij hoopte te kunnen uitwerken, of van iets, dat hij wilde onderzoeken, zoodra hij heelemaal beter zou zijn, dan voelde ik zoo sterk de schoonheid, de rijke volheid van het leven, dat de wil me overstelpte, om toch vol te houden, om toch te worstelen met het weerstrevende, totdat ik het in mijn armen bedwongen had.

Er was veel, dat hem ergerlijk en voos leek in de 60 uitlatingen van oudere tijdgenooten, en bij alles, wat hij in zich opnam, formuleerde hij zich oogenblikkelijk een eigen meening, die hij, op de wijze der jeugd, met inslaande paradoxen ten beste gaf. Op mijn eenzame buitenwandelingen, als ik aan glibberige slootkanten katjes ging plukken, om zijn kamer te versieren, en naar de eerste sneeuwklokjes zocht, trachtte ik die grootsche gedachtengesprekken met mijzelf voort te zetten, en ik dwong mij over eenig probleem van algemeen maatschappelijk of wijs- geerig belang een meening te vormen, en die met argu- menten te stevigen.

Ik schaamde me over de bekrompenheid van mijn gezichtsveld, en mijn banale gebondenheid aan het 61 stoffelijk waarneembare; ik verweet mezelf, dat ik niet waard was, dat hij zijn edele ideeën voor me ontwikkelde, als ik toch, onder het luisteren door, heimelijk wachtte op het oogenblik, dat hij opeens zou glimlachen, en zeggen: Ik praat je weer doof met al mijn onrijpe invallen!

Ik stelde me honderd maal voor, hoe ik, als de dag genaderd was, hem zeggen zou, dat ik het geld niet bijeen had kunnen krijgen, dat ik nu ook geen uitweg meer zag;. Maar juist in de laatste helft van de tweede week, toen ik het meest tot opgeven geneigd was, gebeurden er twee dingen, die mijn kracht tot het uiterste op- stuwden. Eén redacteur, die, meer menschenkenner dan de meesten, getroffen was door' den ernst van mijn briefje, had begrepen, dat wat zoo aanstellerig klonk, — een meisje in geldnood, — hier wel eens eenvoudige waarheid kon zijn, en bood mij tegen de volgende week vijf en twintig gulden aan.

Dit briefje maakte mij zóó week van dankbaarheid, dat ik op dat oogenblik alles voor den man had willen doen. Het tweede moedgevende was, dat Ru mij een mid- dag met opgewondenheid, zoodra ik binnenkwam, een postwissel van zeven en dertig gulden voorhield, een sommetje, dat hij lang geleden aan een vriend had geleend, en dat hij nu, op dit allergeschiktste oogen- blik had terug gekregen.

Dien heelen middag, onder het lezen door, maakte ik, over en over, dezelfde berekeningen, en de cijfers namen mijn aandacht zoozeer in beslag, dat ik nauwe- lijks wist, welke woorden mijn lippen uitspraken Er ontbraken dus nog maar dertien gulden; dat was het honorarium van één, niet heel lang, schetsje; dat was de prijs van een vaasje, een blouse, een lampekap; dat was iets, dat je dagelijks uitgaf en dus ook dagelijks verdienen kon.

In twee weken had ik op wonderlijke wijze meer dan honderd gulden bij elkaar gekregen; de week, die me nog restte, zou zeker voldoende zijn, om die onnoozele dertien gulden ergens vandaan te tooveren.

Maar op welke manier dan? Plannen-maken bleek vruchteloos in deze omstandigheden. Alle dwaas- heden, die ik om hem had willen doen, waren zonder gevolg gebleven. Onverwachts kwam iedere gave, en 't beste was ook nu te werken, te hopen en moedig te zijn. Ik vond juist in die dagen in Ulfila bij Mattheus den mooien tekst: Ik droeg iederen dag mooie japonnen; ik trachtte mijn bleekheid te verbergen door een kleurig lint om mijn hals of een vroolijker kapsel; — en iederen morgen ontving ik den nieuwen dag als een heerlijke gave; 's avonds wiegde ik mijn honger met zoete verhaaltjes in slaap.

De verplichting iedere drie maanden honderd vijf en twintig gulden te betalen, was al vast in het pro- gramma van mijn leven opgenomen. Ik deelde de drie jaren, die nog moesten verloopen, vóór ik meerder- jarig zou zijn, en dus over mijn geld zou kunnen beschikken, systematisch in; ik wilde mijn levensloop regelen en vaststellen tot in de kleinste onderdeelen, voortdurend gedragen door de heerlijke zekerheid, dat ik alle zorgen van hem zou kunnen afweren, en dat dat alleen de bestemming van mijn leven was.

Hoe wonderlijk is het, als een oud hart zich op zijn eerste goddelijke verdwaasdheid bezint! Hoe onge- looflijk lijkt het, als men geleerd heeft, nooit meer iets te hopen of te verwachten, dat pas over een jaar, over een maand, — dat pas morgen zou kunnen gebeuren, maar alleen dankbaar te aanvaarden wat, van uur tot uur, ons aan vreugde en lieflijkheid in de handen wordt gelegd, — hoe ongelooflijk schijnt het dan, dat er een tijd was, dat wij ons leven zelf wilden richten en zeker meenden te zijn, dat ons verlangen zichzelf gelijk blijven zou, tot het einde van alles.

Ket was gebeurd, zonder dat ik er eigenlijk vooruit over had nagedacht, en toen ik weer op straat liep, bezonk er een verbaasde moeheid in me, omdat het zoo gemakkelijk bleek te gaan, en alle zorgen nu wel voorbij zouden zijn.

Ik voelde me zoo zeker van de toekomst, dat ik zelfs een gevoel van spijt niet kon onderdrukken, omdat ik nu mijn lieve boeken zou moeten missen. Zoodra ik thuis was, begon ik ze te sorteeren, legde alle, die me niet zoo heel veel waard waren, breed uitgespreid op de tafel, maar de meeste hield ik zorg- vuldig weggesloten. Er stond in vele een hartelijke opdracht of een paar dichtregels, want ik had ze bijna alle van mijn vrien- den gekregen; die kraste ik er voorzichtig uit, onder- wijl de prijzen berekenend.

Ik dacht, dat de man me wel de helft van de waarde zou betalen, en omdat ik veel nieuw uitgekomen romans in sierlijke banden bezat, meende ik, dat twintig boeken zeker genoeg zouden zijn, om me de som in te brengen. Met groote liefde keek ik de tot verkoop veroor- deelde nog eens door, en schreide zachtjes, omdat ze me toch allemaal zoo lief leken en een stuk van mijn eigen leven. Zoo vond de koopman mij, die de kamer, mijn Herinneringen 5 66 japon, mijn handen, met één blik taxeerde, de boeken even nonchalant en minachtend opnam, en er vijf gulden voor bood.

Ik voelde me pijnlijk beschaamd en ongelukkig, omdat hij zoo regelrecht tegen alle welwillende en beleefde omgangsvormen inging, en me zoo duidelijk te verstaan gaf, dat ik hem mijn minderwaardige bezittingen voor te veel geld wilde opdringen; blozend en met troebelen blik liep ik opnieuw naar de boeken- kast en droeg een tweeden stapel aan; in een nevel van tranen zag ik Nietzsche, Shelley, de Mei, Baude- laire, door zijn vleezige, korte vingers betast worden en weggeworpen.

Ik boog me nog eens, en ik bemerkte den dwazen drang in mij, den man er van te overtuigen, dat ik waarachtig eerlijke bedoelingen had, en niet méér van hem wilde aannemen, dan hij redelijkerwijze geven kon: Mijn lippen beefden; de kast was bijna leeg, en alleen een paar boeken, die ik uitge- zocht had, om hem voor te lezen, stonden nog in een hoek.

Toen stemde hij dadelijk toe, legde het geld zelfs terstond op tafel; — en na een kwartier waren de boeken op een wagentje afgehaald. Het scheen me, alsof er een verontreiniging in mijn kamer was blijven hangen. Ik schoof het raam open, keek even schichtig om, naar de leege gaping van mijn open boekenkast, en voelde mijn hart nog bonzen van schrik en spanning en afkeer.

Kerk hof begraafplaats , o. Kerk'kamv bonte kraai , v. Sederland met een aartsbisdom en vier suffragaan-bisdommen is een —provincie; —recht R. Kermes' schildluis in Z. Ker mis jaarmarkt, vroeger ter gelegenheid van het feest der kerkwijding , v. Kern karnton , v. Kern pit, steen eener vrucht , v. Kern achtig pittig, vol gehalte , bn. Kers kerseboom , m. Kers kruisbloemig kruid, bitterkers , v. Ker'sebloei bloesem of het bloeien van den.

Ker spel kerkdorp, parochie, kerkelijke gemeente , o. Kerstavond de avond vóór of van Kerstdag , m. Kerstdag één der twee feestdagen van Kerstmis, nl. Kerst feest het feest van de geboorte van Christus , o. Kerst'mis christelijke feestdag van de geboorte van Christus , v. Kers'versch geheel versch , bn. Ker'vel schermbloemige plant , v.

Ker ven inkepen, insnijden, hi reepjes snijden , ik korf, heb -korven; tabak -, visch -. Ke'tel vaatwerk , m. Het zou kunnen dat nog auteursrecht rust op delen van dit object. Gevonden in dit boek Geen zoekvraag opgegeven. Zoeken in dit boek zoek. Keg, kegge wig , v. Kei len over het water scheren , ik heb — -keild. Kei'zershof de residentie, ook de omgeving des keizers , o.

Kel'der ondergrondsche ruimte van een huis , m. Ke len de keel afsteken, slachten , ik heb het varken — keeld. Kelk beker , m. Kemp, ken'nip hennep , v. Kemp haan steltlooper, snipachtige vogel , m. Ken nen weten, verstaan, bevatten , ik heb — kend; zijn les —, iets van nabij —. Ken nis wetenschap, kunde , v. Ker men ikreunen, weeklagen , ik heb gekermd; - van pijn. Kern spreuk krachtig en kort gezegde , v. Ker'sebloei bloesem of het bloeien van den kei-s , m.

Ke'tclboetcr ketellaplier , m. Sluiten Opties voor uitsnede.

...

Ik had al eens terloops aan de anderen gevraagd, waar hij was, maar niemand wist een bevredigend antwoord te geven. Hij was met geen enkele bizonder intiem; ze praatten over hard werken, vossen voor 't examen; ze lachten, dat iedereen wel eens een poosje obscuur was; maar ik werd niet gerustgesteld. Maar telkens weer stelde ik het uit. Ik kende hem tenslotte zoo weinig en hij hield zich altijd zoo onge- naakbaar; hoe zou hij mijn onverwachte bezoek op- vatten?

Zou ik hem niet juist van me vervreemden, door me op te dringen; was het niet beter te wachten, tot hij uit zich zelf bij mij terug kwam? Ik weifelde, overdacht en streed met mijn verlegen- heid, totdat eindelijk twee lange weken verloopen waren. Toen ging ik, een zonnigen ochtend, met beklemden adem op weg, en beloofde mezelf, dat ik niet in mijn kamer zou terugkomen, voordat ik hem gesproken had. Ik herinner me van die maanden alles nog wonder- lijk precies; ik ruik nog den bitteren geur van dorre, vochtige blaren; ik weet, hoe een ijle, zon-doorschenen nevel om den ouden toren hing; ik herinner me de blouse, die ik dien ochtend droeg, en het gezicht van de appelvrouw, die, met een fel-rooden doek om en de grove handen tegen de deurposten geleund, me den toegang tot zijn huis versperde en met een dom- men lach opzij ging.

Ik zou den looper op de trap, en zijn naamkaartje, vooral zijn naamkaartje op de deur, met de punaize er nijdig doorheen, wel kunnen uitteekenen. De kamer was kaal, rommelig en triest. Ik wist, dat hij kort geleden van een lief, zonnig grachtje naar hier was verhuisd, en dacht, dat hij misschien nog bezig was zich in te richten. Ik zocht naar een onver- schillige opmerking over het veranderde uitzicht of over de weersgesteldheid, om niet dadelijk met mijn gewetensvraag te behoeven beginnen; maar er was iets in zijn houding, dat elk luchtig woord terugdrong, en mij hartstochtelijk deed wenschen maar weer te kun- nen weggaan.

Ik drukte echter mijn handen in elkaar, en zei op een toon, alsof ik iets uit een boek oplas: Ik ben nu naar je toe gekomen, om je te vragen, waarom je zoo vreemd tegen me hebt gedaan. Maar hij antwoordde in denzelfden trant, mijn hoog- heid met nog fierder afwering braveerend: Tot mijn spijt kan ik me niet verontschuldigen.

Er was geen andere reden voor, dan dat ik geen verlangen had je te zien. Ik glimlachte van heldenmoed, en, omdat hij me geen stoel aanbood, liet ik me tegenover hem op den grond neer, en zei rustig, terwijl ik naar de stapels boeken keek: Maar misschien bent u toch wel blij, dat ik juist nu gekomen ben, omdat ik u nu wat helpen kan, met het opruimen van de boeken Het is hier nog heelemaal niet ge- zellig.

Want ofschoon ik er intens van genoot, een drama van zoo grootsche allure zelf te mogen meebeleven, vreesde ik elk oogenblik uit mijn rol te zullen' vallen, omdat ik toch eigenlijk niets was dan een onstuimig kind, dat zeggen wilde: Zit u bij voorkeur in zoo'n chaos? Blijft de kamer zoo? Hij wierp zijn hoofd achterover, zijn oogen vlamden, en hij bedwong eiken trek van medelijden op mijn gezicht.

Ik dacht aan Cyrano, aan Parsival, aan Richard Lion- heart, aan alles, wat me ridderlijk en bewonderens- waardig toescheen. Maar ik zei, alsof ik het heel gewoon vond: Je hebt er hier zeker geen plaats voor. Het is zoo'n massa. Maar dat lijkt me toch onpractisch.

Als 't veel moet zijn, krijg je het toch niet voor boeken; en als 't weinig is, kun je toch op honderd andere manieren. Ze zijn vast tienmaal zooveel waard. Maar vind je het eigenlijk niet zonde voor zoo'n klein sommetje zoon schat te offeren, vooral als er duizend andere manieren zijn.

Iedereen zal blij zijn, als je zoo iets wilt daen. Ze kijken, alsof je een bedelaar bent. Maar de zorgen overwoekeren mijn gedachten; ik kan niet werken, als het moet; als ik bij elke bladzij denk: En ik ben het alles zoo moe, zoo moe, dat geestelijk gepeuter Ik zou liever handenwerk willen doen; ik zou liever willen straatvegen of sjouwer worden.

Van den eersten dag af was het me opgevallen, dat ze wonderlijk veel op de mijne leken, en als we elkaar begroetten, sloten ze in elkaar als een deksel om een doos. Ik woon hier zoo in een uit- hoek, dat niemand me komt opzoeken. Ik kom maar zelden op straat, en dan nog Jij begrijpt toch, hoop ik. Ik doorvoelde tegelijkertijd, wat rijn trots zou lijden, als hij het geld moest aannemen, — en hoe hard het hem vallen zou te scheiden van de boeken, die hij met zooveel liefde had bijeen ge- zocht.

En terwijl ik in 't onzekere was, welke pijn hem het zwaarste te dragen zou vallen, voelde ik hier bovenuit mijn droefheid stijgen, dat ik geen weg wist, om hem beide te besparen. Ik voelde mijn wil opstaan in me, als een sterk beest, dat lang geslapen heeft, en nu wakker wordt, en geen weg weet met zijn opgehoopte kracht.

Mijn gezicht spande zich, mijn stappen werden zwaar- der; ik ging snel en besloten den kortsten weg naar mijn kamer, sloot mijn deur af, liet de gordijnen neer, ging in een hoek op den grond zitten met mijn hoofd op mijn armen, en gaf me over aan nadenken.

Er móest een weg te vinden zijn, waarlangs ik hem helpen kon, zonder dat hij het wist; het geld van mijn kamerhuur, die pas over een maand betaald behoefde te worden, vermeerderd met een deel van mijn maand- geld zou genoeg zijn om hem van zijn zorgen te bevrij- 16 den, maar ik waagde het niet het hem rechtstreeks te geven, zonder bescherming van een tusschenper- soon.

Ik dacht er over aan een uitgever te schrijven, en hem te vragen, of hij meneer zoo en zoo twee honderd gulden wilde aanbieden voor een te schrijven roman of te leveren vertaling; maar tegelijk besefte ik, dat, om een vreemden man over te halen zich tot een zoo eigenaardige comedie te leenen, het noodig zou zijn hem volkomen van de situatie op de hoogte te bren- gen.

Een pijnlijk, een onmogelijk werk. Uitgevers zijn secuur, eischen bindende contracten. Ik overwoog, of ik me niet tot een van onze gemeen- schappelijke vrienden kon wenden, met het verzoek hem het geld op een kiesche manier op te dringen.

Ik was er zeker van, dat hij aan de anderen wel eens iets geleend zou hebben; de vriend zou kunnen voor- geven, dat 't eenvoudig restitutie was; dat hij 't was vergeten, omdat 't al zoo lang was geleden; en hij zou 't zonder vernedering kunnen aannemen. Ik ging in mijn gedachten al mijn vaste bezoekers na om uit te kiezen, wie de geschiktste zou zijn voor deze zeer delicate opdracht, maar den een na den ander zag ik in mijn verbeelding een toren van kleine, banale, onbescheiden gedachtetjes en vermoedens optrekken; ik zag ze tegenover hem een goedhartig medelijden betrachten Ik voelde me opstandig worden; ik haatte hun medelijden.

Niemand mocht van zijn moeilijkheden weten, dan ik alleen. Ik werd ongeduldig, omdat ik geen middel vinden kon om mijn plan uit te voeren. Ik trok mijn gordijnen weer op, begon heen en weer te loopen, en ergerde me 17 aan mezelf, omdat ik den tijd liet voorbijgaan, en te dom en te grof was, om een manier te bedenken, waarop ik hem het geld kon geven zonder hem te kwetsen. Ik bedacht het eenvoudig in een enveloppe te doen, en 't door het zoontje van de juffrouw hem te laten brengen.

Maar natuurlijk zou hij dadelijk begrijpen, dat 't van mij kwam, en, niet vermoedend van hoeveel weifelen en strijd dit couvertje zonder een woord er bij de uitslag was, zou hij er misschien een zelfgenoeg- zame hoogmoedigheid in zien, en, weerloos-bezeerd, mijn grove gevoeligheid verwenschen.

Als ik me maar voor een familielid van hem durfde uitgeven, een oom, een neef, een oude erftante des- noods Maar ik wist absoluut niets van zijn om- standigheden af; ik wist niet, uit welke stad hij kwam en niet, of hij broers en zusters had; alleen had ik op zijn schoorsteen het portret van een mooie vrouw zien staan, die ik zijn moeder noemde, omdat in haar oogen hetzelfde berustende heimweh lag, als in de zijne, en ik ook de lijn van het voorhoofd en den neus meende te herkennen.

Waarom hij dit geld opeens zoo noodig had; waar- om hij het niet aan zijn vader vroeg, — ik wist het niet, en ik wilde het niet weten. Het speet me alleen, dat ik 't nu niet waagde, hem de som onder den naam van een broer of zuster toe te zenden, omdat ik niet wist, of die bestonden.

Eén plan was er, verleidelijk boven alle andere, dat telkens weer voor mijn verbeelding oprees: Maar juist de overstelpende vreugde, die mijn hart vervulde, bij de gedachte alleen al aan deze mogelijk- heid, gaf mij de overtuiging, dat ik hem dit niet voor- stellen mocht. Want wat hij mij zou geven, — den rijkdom van zijn diepen geest en zijn edel gemoed, — waren schatten, die met geen goud ter wereld te betalen zouden zijn, en het leek me verraad hem in dezen tijd van zorgen aan mij te binden op een wijze, die hij, toen hij vrij was, niet zelf gekozen had.

De middag gleed onhoorbaar langs, en ik vond geen plan, dat me bevredigde. Ik huilde van woede, omdat het geld in mijn la lag, en hij toch zijn lieve boeken zou verkoopen, en er verdriet over zou hebben, omdat ik zoo stomp was. De juffrouw kwam om te dekken; ze stak het licht aan, pookte de kachel op, en wilde de kamer vroolijk en gezellig maken.

Maar ik vond dat, in mijn verslagen- heid, een ongepaste luxe, stuurde haar de kamer uit met de meedeeling, dat ik dien dag niet eten wilde, en nam het bankbiljet uit de la van mijn bureau. Ik wist, dat, als ik nu nog lang weifelde, het te laat zou zijn en ik het me eeuwig zou verwijten. Toen scheurde ik een papiertje van mijn bloc-note, en schreef staan- de, ineens achter elkaar: Ik hoop, dat je het zult willen doen.

Anders wil ik je liever niet meer zien. Het was voor het eerst van mijn leven, dat ik daar zat, met mijn armen over mijn borst en mijn lippen geklemd, in die opperste spanning van verbeiding, die in de belangrijkste jaren van een vrouweleven haar belang- rijkste bezigheid pleegt te zijn.

Tot dien gedenkwaardigen avond was ik een leven- dig, belangstellend, ijverig en bereidwillig kind ge- weest, dat van boek naar boek greep, van les naar les snelde, maar dat te onberoerd was van hart, om werkeloos-wachtend neer te zitten in de schemering.

Nu was voor het eerst een mensch me zóó na getre- den, dat een woord van afkeuring van hem voor mij rampzaligheid, en een woord van lof geluk beteekenen zou. Ik hield mijn handen tegen mijn hart gedrukt, om met verbazing zijn bonzen te voelen, en ik trachtte de zinnen terug te vinden, die ik hem geschreven had. Mijn God, was het niet alles verkeerd geweest? Was niet elk woord er naast? Had ik hem niet nog eerder het geld zonder iets er bij kunnen zenden, dan zoo'n verwerpelijk briefje?

Nü wist ik pas, wat ik had moeten zeggen; nu had ik eerst den goeden toon, eenvoudiger, hartelijker, met minder pretentie. Zin na zin wond zich af in mijn hoofd, verleidelijk-luchtig, eerlijk-overtuigend, schuch- ter-fijngevoelig; het werd een obsessie telkens weer 20 hetzelfde begrip in nóg simpeler, nóg smeekender woorden te kleede»..

Hij zou me zoo dom vinden, hij zou me zoo minachten; en ik had niet eens gezegd, hoe mateloos mijn vereering voor zijn hoogheid was Na een uur werd er gebeld; ik wist, dat hij het was. Op dat oogenblik was ik er van overtuigd, dat het voor hem veel dragelijker geweest zou zijn, al zijn boeken te missen, dan mij iets schuldig te wezen, en in schaamte over het verdriet, dat ik hem had aan- gedaan, door zijn trots niet meer te ontzien, sloeg ik mijn handen voor mijn oogen, en bleef ineengedoken zitten.

Hij kwam binnen, vlug en stil als altijd. Hij liep zacht op me toe, trok mijn handen van mijn gezicht en hield ze vast en hevig in de zijne; ze waren nu beide zoo veilig geborgen, dat ik glimlachte, ondanks al mijn angst. Ik keek langzaam naar hem op; zijn oogen blonken, maar er was een pijnlijke trek om zijn mond, en zijn stem klonk bijna verwijtend, toen hij zei: Het is zóó lief van je bedacht.

Maar het is verschrikkelijk, o, je wéét niet, hoé ver- schrikkelijk het is, om geld aan te nemen van een meisje. Dan mocht ik altijd bij je blijven, en alles voor je doen. Als ik een jongen was. Ik 21 heb er al zoo lang naar verlangd, maar bijna niemand heeft hem.

Hij vroeg mijn meening over een studie, die hij kort geleden gepubliceerd had, en ik, die zijn werken evenmin voor gewoon-menschelijke kritiek vatbaar 'achtte als den bijbel, stamelde: Zeg het maar eerlijk. Kon ik hem zeggen, dat het lezen van zijn werk voor mij was als een onder- dompelen in een sterkend bad; dat ik bij ieder woord hoorde, hoe zijn stem het zou zeggen; dat ik telkens vol vreugde eene gedachte herkende, die hij op onze bijeenkomsten uitvoeriger had ontwikkeld; maar dat ik nooit lette op onderdeden, en nooit een oogenblik aandacht had gehad voor den logischen opbouw van zijn betoog, of den gang van zijn statige zinnen.

Proza is toch eenmaal van anderen aard dan poëzie, en daarom Dadelijk was hij klaar om in dit opzicht mijn opvoeding ter hand te nemen, en toen, zooals gewoonlijk, om een uur of acht de anderen binnenkwamen, vonden ze mij op mijn knieën bij de kachel, bezig brood te roosteren en op te knabbelen, om mijn gemiste diner in te halen, en hem naast mijn hoofd op de tafel gezeten, met overdreven cadans de eerste zinnen van Potgieter's Rijksmuseum aan het declameeren, om me in de geheimen van de proza- techniek in te wijden.

Toen overviel hém weer een van zijn prachtige verontwaardigingen, en, in een huiverende stilte, zei hij de onsterfelijke regels: Een paar dagen later kwam hij me Spinoza brengen en het schema voor een studie over Oud-Noorsche sagen. Hij bleef nu geregeld bij me komen zooals vroeger, en zonder bizondere emoties ging het leven zijn gang. Maar tegen het eind van de maand begon ik te be- merken, dat ik bijna geen geld meer over had. Ik vond het een grappige, nieuwe sensatie; ik liet me door allerlei vrienden ten eten vragen, borg mijn onbetaalde rekeningen zorgeloos in mijn portefeuille, en trok, toen de laatste gulden was verdwenen, nog ruim een week, voordat officieel de Kerstvacantie begon, naar mijn familie, om daar mijn ontredderde financiën weer in orde te brengen.

Het was mijn eerste terugkeer in het huis van mijn jeugd, en, na een ochtend van onwennig rondzoeken, hernam het geregelde leven van zooveel jaren zijn volle macht over mij. Zoo onwezenlijk en als alleen gedroomd schenen me nu de enkele maanden van vrijheid, dat ik nauwe- lijks er naar terug verlangen kon, en toen ik eindelijk, ver in Januari, wezenlijk weer in mijn zonnige kamer stond, en de, nog bijna onberoerd gebleven, witte bandjes van Spinoza me op mijn schrijftafel zag wach- ten, had ik het gevoel mijn vroegere leven geheel ont- groeid te zijn.

Ik voelde me vreemde tegenover mijn meubels, waarvan de banale netheid me opnieuw ergerde, vreemde tegenover mijn vrienden, wier luiden, vrijmoedigen toon ik was ontwend, en de eerste week leefde ik in groote onrust door. Hij kwam niet bij me; liet niets van zich hooren. En ik zei tot mezelf, dat hij er ook niet de minste reden toe had, terwijl ik voor de zooveelste maal het papier uitrolde, waarop ik alles geschreven had, wat ik hem bij ons weerzien vragen wilde, niet alleen duistere plaatsen bij Dante en taalkundige moeilijkheden in Floris ende Blancefloer, maar ook levensvragen, als: Ik voelde me zóó ver van hem af, dat ik er aan twijfelde, of ik hem nog wel ooit zou weten te be- reiken.

Maar op een avond bracht een van mijn vrienden een zeldzame uitgave van Plotinus mee, om me zijn nieu- wen aankoop te laten bewonderen, en dadelijk her- kende ik het boekje, dat ik voor eenige weken van hém ter leen had gehad, en waarvan ik vergeefs had getracht den zin te doorgronden.

Den volgenden morgen, zoodra ik op was, ging ik naar hem toe, bijna blij, dat mijn jagende onrust mij dwong de vervreemding tusschen ons te verbreken. Ik liet me niet aandienen, maar ging regelrecht op zijn kamerdeur af.

Er brandde geen vuur, zoodat het er kil en vochtig was; op den schoorsteen stond alleen nog het lieve portret, en er naast lag iets blinkends, dat ik niet dadelijk onderscheiden kon. Toen hij mij zag, sprong hij verward op, en maakte een afwerend gebaar; er was iets ongeduldigs in zijn manieren, alsof hij juist alles goed geregeld had, en nu zijn plannen weer in de war zag gestuurd.

Maar ik hield me, alsof ik niets bizonders aan hem merkte, en terwijl ik de heeschheid van mijn stem door een glim- lach trachtte goed te maken, zei ik langzaam: Daarom kom ik maar naar jou.

Ik weet wel, dat het niet comme il faut is. Maar ik wou eens kijken, hoe je het maakt. Waarom brandt je kachel niet? Het is hier zoo koud. Ik vind 't lekker zoo; maar als jij. Hij begon heen en weer te loopen, en beet zich op de lippen. Ik voelde, dat hij er over dacht me te ver- zoeken heen te gaan en me niet verder met zijn zaken te bemoeien. Ik voelde, dat hij hartstochtelijk zocht naar het woord zóó hoog en fier, dat het hem voor- goed van mijn indringerige belangstelling zou bevrij- den, en toch zoo waardig-zacht, dat het me niet won- den kon.

Maar ik hield me aan zijn bureau vast, alsof ik eiken voet grond tot de deur tegen hem zou willen verdedigen, en bijna uitdagend begon ik opnieuw: Ik heb er den vorigen keer maar een schijntje van begrepen, en ik wou graag. Ik dacht er over een eind te maken aan de comedie, en hem de volle waarheid te vragen, maar ik kon geen overgang vinden, en daarom ging ik door: Maar geef me dan een ander boek. Ik heb er in de vacantie naar verlangd weer eens prettig, geregeld te gaan lezen.

Ik had nog nooit een vuurwapen betast, en besefte de dramatiek van het oogenblik ten volle. Ik wil 't niet hebben. Je bent laf, je bent een lafaard, dat je zoo iets kunt willen doen. O, als alles goed gaat, dan kunnen jullie mannen wel leven, dan ben jullie de heeren der schepping, Je hebt geen schijntje gevoel van verantwoordelijkheid; je hebt geen idee van zedelijken plicht.

Je denkt er alleen aan, wat je op 't oogenblik het makkelijkst is Ik kan het niet dragen. Ik heb een beetje recht op je. Toe, beloof me, beloof me eerst Ik droogde ener- giek mijn oogen af, streek mijn haar achterover, en ging vastbesloten in de vensterbank zitten.

Natuurlijk moet je doen, wat je zelf wilt; natuurlijk gaat het mij niets aan, als je Als je dat nog voor me zoudt willen doen, je plan motiveeren. Ik heb alles gedaan om er bovenop te blijven. Ik heb gewerkt, geschreven, baantjes gezocht Ik heb niets meer om te verkoopen; en nu komt er schande over mijn naam, als ik niet op tijd aan mijn verplich- tingen voldoe. Het eenige is, dat ik er een eind aan maak. Alleen om wat geld heb je ons al die afgesleten derderangs-opera-attributen van den uitgehongerden jongen man, de revolver, de vrouwetranen en de verzoening nog eens voor 't front laten brengen!

Alleen om wat geld heb je jezelf zoo bleek en afge- tobd en rampzalig gemaakt? Maar vind je eigenlijk zelf het effect toch niet een beetje mager?

Ik wist niet, waar ik ze vond; ik wist niet, wat ik er mee bereiken wilde. Ik voelde alleen een blinden drang in me, om hem er toe te brengen zijn voornemen ridicuul, melodramatisch en minderwaardig te vinden en daar- voor was geen middel mij te bruut, geen aandrang onwaardig. Een fel rood klom tot zijn blank voorhoofd op, en hij trok ongedurig met zijn schouders.

Ik weet wel, dat ik hier voor je sta, als de ridder van een zeer miserabele figuur. Maar ik héb niets, en ik wacht niets. Over drie weken is de termijn verstreken, en moet ik honderd vijf en twintig gulden betaald hebben, over drie maanden wéér honderd vijf en twintig gulden, en zoo eindeloos door.

Het stapelt zich om me op; ik zie geen uitweg, ik kan 't niet langer uithouden Neem me niet kwalijk; maar nu wordt 't 31 hcusch vermakelijk! Au fond is er niets banaler dan slechte romantiek. Maar ik weet geen beter einde te vinden. En je bent voorbestemd om in het slotbedrijf met de prinses te trouwen, en als koning op een kameel voor het voetlicht te komen, terwijl stoeten onderdanen alle mogelijke schatten aan je voeten uitspreiden.

Bederf het spel dus niet in den aanvang. Verderop stonden lacherige dienstmeisjes aan een groentewagen inkoopen te doen, en een vrouwtje liep met een kinderwagen, langzaam zich te goed te doen aan het mooie weer. Alles buiten ging degelijk, tevreden en harmonisch zijn gang, ter- wijl hier een man, die jong was, die talent had en schoonheid en levenslust, geen plaats zou kunnen vinden op de wereld, en besloten had maar stilletjes weg te gaan. Ik stond met mijn rug naar hem toe, en legde mijn handen over mijn heete oogen.

Maar nu moet je me ook heelemaal vertrouwen. Nu mag ik ook over drie weken. Weet 32 je wel, dat ik niet 't minste geloof meer heb in je socialistische neigingen, als je zooveel waarde hecht aan privaat bezit?

Het is toch geen verdienste van mij, dat mijn ouders me meer hebben nagelaten, dan ik noodig heb Toe, praat er niet meer over, en denk er niet meer aan. Ik hief mijn gezicht naar hem op, dwong alle zorg-gedachten weg uit mijn hoofd, en hield mijn blik rustig en open in de zijne. Je weet, dat ik 't niet hebben wil, als 't je ook maar eenige moeite kost,. Ja, je dwingt me om op te snijden over mijn fortuin, als de eerste de beste patser. Nu hij weer opgewekt keek, viel 't me nog meer op dan te voren, dat hij er uitgeput en ver- vallen uitzag; er waren zwarte kringen onder zijn oogen, en zijn lippen zagen paars.

Maar zijn oogen brandden schitterend, en hij stond zoo rechtop, alsof hij herboren was. Laat de juffrouw dadelijk eieren en boter en melk halen, wacht, ik zal 't wel even gaan vragen, — en de kachel moet aangemaakt worden, en de kamer opge- ruimd. Ik had het eene raam hoog opengeschoven, zoodat de pittige, opwekkende winterlucht vrij naar binnen golfde, en hij lag op de canapé, glimlachend met de oogen dicht, volslagen afgeloopen, maar be- rustend in de plotselinge verandering van zijn lot.

Ik voelde mijn zenuwen tot het uiterste gespannen, en er was een zoo geweldige drang tot actie in me, dat ik maar het liefst dadelijk naar buiten gebroken zou zijn, om, door den wijden winter zwervend, me aan de meest excessieve toekomstplannen over te geven.

Maar ik dwong me stil te zitten, met een rustig-blij- moedig gezicht, en met zachte zorgen om hem heen te zijn, totdat zijn uitvoerige maaltijd tot in de klein- ste finesses correct was verloopen. Ik dacht altijd maar, dat ik moest trachten het geld uit te zuinigen op mijn maaltijden, ik wilde het altijd met mijn eten vinden; maar dat is zoo'n nega- tieve manier, en je wordt er rampzalig van.

O, je weet niet, hoe goed het doet, weer eens ordentelijk gevoed te worden. Niet meer grübeln, niet meer denken Denken ist eine sauere Arbeit Ik kom wel eens kijken, of je je aan mijn voorschriften houdt. Toen, eensklaps, verstrakte mijn gezicht; ik ging langzaam en ernstig zijn steile trappen af, en bij iederen stap woog mij de gedachte zwaarder: In normale tijden zou het mij betrekkelijk gemak- 35 keiijk gevallen zijn tenminste een groot deel van de som van mijn ruim maandgeld over te houden, maar door de twee honderd gulden van een paar maanden geleden, en vooral door mijn zorgeloosheid, toen mijn kas uitgeput bleek, waren mijn financiën in zeer slechten staat geraakt; ik had nog verschillende kleine schulden, en, zelfs zonder buitengewone uit- gaven, zou ik moeite hebben gehad die maand rond te komen.

Maar, ofschoon ik dus voorloopig geen uitweg zag, en zeifs geen begin van een plan de campagne kon vinden, — toch twijfelde ik er geen oogenblik aan, of ik het geld bij elkaar brengen zou.

Het moest, en daarmee was alles gezegd. Mijn wil scheen me sterk genoeg, om het leven te dwingen. Ik was niet van plan me door de omstandigheden te laten ringelooren, en ik beloofde mezelf, dat ik hem over drie weken het couvertje zoü brengen, al moest ik het huis aan huis bij elkaar bedelen.

Zoodra ik thuis was, ging ik, bang om een oogenblik te verliezen, aan mijn schrijftafel zitten, en begon de laden na te zoeken, die vol lagen met slordig door elkaar geraakte schetsen, verzen, brieven, balboekjes en menu's. Ik had in dien tijd zoo'n afkeer van publi- ceeren, dat ik altijd stapels copy in voorraad had. Ik sorteerde een zestal verhaaltjes, die me redelijk ge- slaagd voorkwamen, nam mijn statigste postpapier en een nieuwe pen, en adresseerde ze, met beleefde bege- leidende briefjes, die om spoedige plaatsing vroegen, naar verschillende tijdschriftredacties.

Ik frankeerde ze dadelijk, en vertrouwde ze aan de juffrouw toe om ze cito cito te laten wegbrengen, met een zucht van ,,God zegen de greep. In mijn portemonnaie had ik één gulden zeven en dertig cent; ik zou mijn weekboekje bij de juffrouw, het eenige, dat ik dadelijk moest voldoen, wel tot drie of vier gulden kunnen beperken,.

Ik voelde me door deze becijfering-in-de-ruimte aanmerkelijk opgelucht. Dan had ik nog als bron van inkomsten gerekend op de verhaaltjes, 37 die ik zou schrijven Ik zuchtte, en bekende mezelf, dat de vraag: Ik begon nu alle dingen van mijn kamer met groote aandacht, en alsof ik ze voor 't eerst zag, te bekijken. Alle muurversieringen, alle kleine ornamenten, alle luxe-dingen waren van mij: Dan waren er schemerlampjes, kussens, sarongs, pulletjes, een koperen kaarsenkroontje en een oude klok, zonder welken overbodigen opschik geen moderne kamer meer gezellig is te noemen; ik had een tijd lang Tanagrabeeldjes en Kopenhaagsch aardewerk verza- meld; ik bezat een boekenkast met in tweeën gedeelde, draaibare planken, — en dan was er in de slaapkamer nog mijn ledikant, en al mijn jaoonnen en mantels en hoeden, mijn sieraden, mijn laarzen, mijn borstel- garnituur en mijn toilettafel, En wat zouden ze wel van me denken, als ze me daar bezig vonden mijn zilveren theelepeltjes te laten taxeeren of de qualiteit aanprijzend van mijn cloisonné vaasjes?

Voor mezelf zou hun meening me geheel onver- schillig laten, maar als ze het kanaal eens vonden, waarlangs mijn geld weggevoerd werd; als ze eens onder elkaar vertelden: En als de juffrouw eens iets begon te vermoeden, en mijn' familie waarschuwde, die me dadelijk onder liefdevolle controle zou stellen!

Weer keerden mijn gedachten naar mijn uitgangs- punt terug: Het eenige, dat ik op 't oogenblik kon doen, en dan ook onmiddellijk doen moest, was: Er was nog vleesch over van de koffie, ik had nog een blikje sardientjes, een potje paté, eieren, melk, China's- appels, koek, roggebrood en een mandje met vijgen; — verhongeren behoefde ik dus voorloopig nog niet, al schafte ik het warme eten ook af.

Ofschoon het nauwelijks vier uur was, maakte ik een paar boterhammen en een kop melkchocola voor me klaar, verorberde alles met dankbaren eetlust, en borg vervolgens het gebruikte vaatwerk zorgvuldig in mijn boekenkast, opdat de juffrouw niets van dezen maaltijd zou bemerken. Toen zette ik me weer aan mijn schrijftafel om het schetsje af te maken, vocht tegen den onwil, die me altijd overviel, als ik nog doorschrijven moest, nadat voor mijn gevoel het hoogtepunt er was geweest, en werkte, tegenstribbelend en mezelf hoonend door, tot het buiten zes uur speelde.

Het heele huis was toen met een aangenamen geur van eten vervuld; boven hoorde ik de borden ramme- len en de vorken kletteren, en een genoeglijk stemmen- geroes van etende menschen gonsde door de gang. Het was vinnig-koud, de lucht was melkwit van maan en ster- 40 ren, en de oude grachtjes lagen blank oversneeuwd. Er waren weinig menschen op straat, iedereen was natuurlijk aan tafel; en ik genoot van het trotsche gevoel, dat ik hier alleen buiten liep, en dat niemand wist of vermoedde, dat ik honger had en niet eten zou.

Ik keek naar de kleine, oude huisjes, en naar de tuffende, stootende motorbooten, die hun rooden iichtglans op het water wierpen, met nieuwe oogen. Ik knelde mijn handen, diep in mijn zakken, tot vuis- ten, en wierp mijn hoofd achterover, den pralenden hemel tegemoet.

Sterk en gelukkig voelde ik me. Ik besefte, dat ik voor 't eerst de moeilijkheden van het leven zou leeren kennen, en mijn hart was overvol van moed. Ik zou me nooit gewonnen geven. Mijn wil zou nooit breken. Ik zei het nog eens in de stilte, met een plechtige stem, als een belofte aan de wintersche wereld: Een teederheid welt op in mijn hart, en misschien ook wel een beetje sentimentaliteit; het is me, alsof ik over een jonger zusje schrijf, een lief, jong zusje, dat vroeg is gestorven.

Ik sluit mijn moeë oogen, en ik zie, hoe ik daar dien avond moet hebben gestaan, een ernstig, extatisch kind, in een langen wintermantel, met de handen in wollen handschoenen; met naar achteren geborsteld haar, simpel, zonder eenige ver- fijning. Ik zie mijn ronde, onberoerde wang, en de overdauwde oogen, die ik van oude kinderportretjes ken; ik glimlach over de naïve zelfmisleiding, waar- mee ik, ondanks een stevig maal van twee uur geleden, me romantisch verbeeldde, dat ik eigenlijk honger 41 leed; — maar ik zucht, omdat, naast die kinderlijk- onechte opschroeverij, in mijn hart de wel heel ern- stige, kinderlijke bereidheid bestond om wézenlijk te hongeren, om wézenlijk alles te offeren, om te sterven desnoods, als daardoor dat ééne leven maar werd behouden, waarvan mij, in den meest absoluten zin, het heil van de wereld scheen af te hangen.

Ik ben oud geworden, nuchter, practisch, critisch; en ik denk: En als ik iets voor hem wilde doen, had ik dan niet een- voudig een kleine som bij mijn bankier kunnen opvra- gen, die zijn jong cliëntje zeker niet met formaliteiten lastig gevallen zou zijn; — beter dan dat ik mezelf tenslotte een soort hongerrégime oplegde, dat toch alleen negatieve resultaten kon opleveren.

En het is me, alsof mijn verre, oude zelf, alsof dat kind, dat haar oogen vol droom naar de sterren hief, mij antwoordt: Het geheele geval had zonder eenige romantiek, nuchter en soliede kun- nen verloopen, met een cheque of een aangeteekenden brief of een telegrafischen postwissel, als ik niet juist aan de poort van het leven had gestaan, met mijn ontwakend hart, dat hunkerde om zijn groote offer te brengen.

En toen het een kans zag, wist het van geen practische bedenkingen meer. In het eerste drama, dat een mensch beleeft, is hij zelf meestal zoowel de eenige acteur, als de auteur van den gang der gebeurtenissen. Dan is zijn fantasie nog sterk genoeg, om alléén te spelen tegenover een stel philosophisch zwijgende poppen, om alleen aan 42 elke daad een beteek. Later, als men sentimenteel en veeleischend is ge- worden. Maar nu wil ik over den aanvang spreken, over den eersten droom; over mijn eerste drama, waarin ik, met zooveel ingehouden toewijding, alle rollen heb gecreëerd; totdat een ander, te vroeg, het scherm liet vallen.

De weken, die volgden, stonden buiten het gewone leven, en de voortgang der dingen scheen veran- derd. Als ik er aan terugdenk, is het me, alsof het één lange, lichte dag is geweest, druk, roezig, vol span- ning; en toch met uren zóó stil, dat ik mijn hart, als een bloem, voelde trillen en opengaan; één strijd met de omstandigheden, met de vijandige wereld, met ziekte en honger; en toch heb ik het leven nooit meer zoo innig, zoo volkomen lief gehad.

Ik denk aan het beste, dat het me later nog heeft gegeven, aan de, dagen in Florence, aan den middag in het bosch bij Brussel, — aan den avond, dat ik met reikende handen mijn vrijheid heroverde, en ik zeg: Neen; zóó volmaakt, als in dié dagen is de gelukkig- heid nooit meer over me gekomen; zoo diep, als bij 43 den eersten dronk, heb ik de vreugd en het leed niet meer genoten.

Ik voelde me soms als een gekooid beest, dat in benauwing zijn nagels om de tralies slaat; maar 't ijzer geeft niet mee, en een uitweg vindt het niet.

Ik leerde voor 't eerst de wreede eenzaamheid kennen, van 't naar uiting hunkerende hart niet meer aan anderen te kunnen openbaren; van alleen den schat van zaligheid en zorg te moeten dragen, waarvan niemand iets vermoeden mocht. Ik stond voor het eerst, borst aan borst, tegenover de onaantastbaarheid van het leven, dat voortwentelt over dood en lijden heen, en zich noch aan smart- kreten, noch aan stille tranen stoort. En als ik een oogenblik van zwakheid had, als het me even duizelde, omdat alles me zoo ernstig en geweldig leek, — dan overstroomde toch telkens me weer de heerlijke zekerheid, dat alleen hij zal over- winnen, die zijn kracht met het lot durft meten, die de afmattende worsteling niet schuwt; — en ik richtte me op, en liep weer onder de menschen, in de lichte straten, met een lach als zij, en ik praatte en bewoog, alsof dit uiterlijke bestaan ook voor mij het eenige was.

Ik was in die dagen nooit moe, of dof, en toch heb ik nooit meer zooveel gedaan. Ik werkte hard en lang voor mijn examen, omdat ik zoo gauw mogelijk klaar wilde zijn, en dan een betrekking wilde zoeken, waar ik veel verdiende. Ik bedacht met een geluk- kigen glimlach, dat, van mijn plannen om naar Voor- Indië te gaan, voor mijn dissertatie, — van al mijn reis- en onderzoekingstochten, in zorgeloos egoïsme bedacht, — voorloopig niets zou kunnen komen; om- 44 dat ik me nu aan het eerste 't beste achterhoeksche dorp zou laten binden, als ze me genoeg wilden laten verdienen, om iedere drie maanden honderd vijf en twintig gulden over te houden.

Ook schreef ik elk vrij oogenblik aan schetsen, kritieken, en een wetenschappelijke verhandeling, over welker fantastischen overmoed ik nu wel stil moet glimlachen. Ik verstelde zelf mijn ondergoed, stopte mijn kousen, waschte mijn handschoenen, en eens ging ik zelfs naar de juffrouw van een hand werkwinkel toe, om haar te vragen, of ze ook werk voor me had.

Maar toen ze hoorde, dat ik studeerde en schreef, deed 't goede mensch zoo afkeerig, alsof haar reputatie op het spel stond. Er werkten zooveel gediplomeerde meisjes voor haar; er was op 't oogenblik slapte in zaken, maar als 't voorkwam, zou ze wel eens aan me denken.

Ik was nog te idealistisch en te zeer begeerig om mijn leven met schoone gedachten en edele gevoelens te vullen, om smaak te kunnen vinden in een luchtig geschreven vertelling, in een van die kleine meesterwerken van moderne schrijfkunst, die van weemoed en cynisme aaneengeweven zijn. Mijn hart wilde verrijkt worden en herkende zijn eigen toekomst in de grootsche offer-bereidheid, in de daden van zelfverloochening 45 van vroeger eeuwen. Mijn hart wilde de gelijke zijn van Alcestis, van Portia, van Héloise, Als ik bij hem kwam, was hij altijd opgewekt en vol moed, maar dikwijls beangstigde mij de stralende glans van zijn groote oogen, koortsig lichtend uit zijn versmald gezicht.

De emoties en ontberingen van de laatste maanden hadden hem zóó verzwakt, dat hij niet meer uitging, maar den heelen dag doorbracht op zijn «kamer, wat schrijvend, wat werkend, wat.

Toch was zijn leven vol bewogenheid, want van binnenuit waren geweldige krachten aan het werk, ec de plannen voor de boeken, die hij schrijven zou en de stelsels, die hij zou ontwikkelen, maakten zijn eenzaamheid zóó rijk, dat ik hem soms met een donkere kleur en brandende oogen aan zijn schrijf- tafel vond, gejaagd de quintessens van zijn gedachten noteerend, alsof hij bang was, dat hem niet genoeg tijd gelaten zou worden.

Nog altijd wist ik niets van zijn omstandigheden af. Op een van onze eerste middagen had hij me gezegd, dat ik nu het recht had alles van zijn leven te weten, en dat hij me nu behoorde uit te leggen, hoe het eigenlijk kwam, dat hij Maar ik had hem gesmeekt er mij niet over te spreken; ik kon de gedachte niet verdragen, dat mijn geheimzinnige Lohengrin tot een gewoon mensch, lid van een gewone familie, met gewone familieverwikkelingen en gewone zorgen zou kunnen worden.

Hij moest zijn aureool behouden van eenzamen duider, die door een imbe- ciel noodlot vervolgd werd. Mijn weigering scheen hem goed te doen. Hij zuchtte 46 opgelucht, en zei alleen: Toen spraken we er nooit meer over. Maar uit zijn verhalen over groote zwerftochten te paard over de hei, die hij 's zomers altijd maakte, over lange reizen met zijn vader, over diners, die zijn ouders gaven en zijn verzameling oude munten, merkte ik wel, dat hij in overvloed was opgevoed, en tot voor enkele maan- den nooit geldzorgen had gekend.

Ik bewonderde slechts te meer de gestadige blijmoedigheid, waarmee hij zijn burgerlijke, armelijke omgeving aanvaardde, en vooral het koninklijke in zijn manieren, dat hij, ondanks de knellende zorgen, tot het einde toe be- hield. Nooit sleten onze omgangsvormen uit tot de banale, gemakkelijke sans gêne, die zoo vaak van het elkaar goed en eerlijk kennen het gevolg is; nooit verwaar- loosden we een van beide de kleine beleefdheden, die het eigenaardige van onze verhouding verzachtten of verborgen.

Het gebaar, waarmee hij mijn mantel aan een kram in den muur ophing, en een hoekje op zijn bureau voor me leegruimde, omdat ik altijd graag hoog zat, als ik voorlas, drukte zooveel ridderlijke gastvrijheid uit, dat ik mij geen heerlijker ontvangst kon denken, en toen ik eens zijn inktkoker omgegooid had, en de juffrouw hem een buitengewoon onappetitelijk vodje had meegegeven om de calamiteit te verhelpen, reikte 47 hij het me met zooveel gracelijke waardigheid aan, dat ik, ondanks de geuren, aan den sluier van den draak denken moest, dien de moedige held na einde- loos veel gevaren te hebben getrotseerd, in de handen van de jonkvrouw neerlegde.

Zoodra ik bij hem was, voelde ik me vredig worden, helder en opgewekt. Al had ik ook den heelen dag gewerkt, in zorg, onrust en spanning; al hadden mijn gedachten zich ook eindeloos gepijnigd om een uitweg te vinden, — voor een bezoek aan hem kleedde ik me met de grootste zorg; ik maakte mijn haar opnieuw op, masseerde de rimpels in mijn voorhoofd weg, en ging dan tot hem, de armen neer, de handen open, overgegeven en vertrouwend.

Ik had in het begin gedacht, dat er van voorlezen wel niet zoo heel veel komen zou, omdat het moeilijk is, om, met een ander samen, zijn aandacht geheel op een boek te concentreeren. Maar het bleek weldra, dat we juist nooit zoo harmonisch voelden, als wan- neer mijn stem rustig door de stille kamer ging.

De kachel brandde dan knetterend; door het hoog-open raam scheen de strakke winterzon naar binnen, en strooide glans over het geplekte behangsel. Hij lag gewoonlijk op de canapé, en ik zat op het bureau tegenover hem.

Soms voelde ik, dat hij naar me keek, en dan las ik nog warmer, maar als ik mijn hoofd ophief, waren zijn oogen altijd neergeslagen, starend naar zijn witte handen. Ik had in die dagen een groote liefde voor mijn eigen stem, omdat ze als een blank watertje was, dat van mij naar hem vloeide, een beekje, dat mijn gedachten als bloemen met zich nam.

Als hij vond, dat ik heel mooi gelezen had, nam hij, vóór ik weg- 48 ging, mijn twee handen in de zijne, en wanneer hij maar mijn eene gedrukt "had, was ik boos en ontevreden over mezelf, omdat ik niet meer mijn best had gedaan. Meestal vatte hij, wanneer we een gedeelte beëin- aiga hadden, de waarde en de beteekenis van het gelezene in een paar zinnen samen, en het scheen me altijd, alsof alles dan veel grootscher en wijder werd, alsof eerst door hém de gedachten, die Hegel en Goethe en Plato verward hadden gevoeld, tot hun volle recht kwamen.

Ik begon ze te lezen, met voorzichtige, tastende stem. Buiten was wind en zon en de forschheid van een winterdag; maar in de kamer werd alles zóó teer, dat ik nauwelijks méér durfde doen, dan de woorden fluisteren. Zoo kwam ik aan deze regels van beang- stigende zuiverheid: O, als ik dood zal, dood zal zijn, Kom dan en fluister, fluister iets liefs, mijn bleeke oogen zal ik opslaan en ik zal niet verwonderd zijn.

En bijna zonder iets te zeggen gingen we dien dag uit elkaar, omdat alles zoo droef en zoo heerlijk scheen Maar den volgenden middag klonk mijn stem weer klaar en vast, uren achtereen, terwijl ik een Engelsche beschouwing over de Stoa voor hem oplas.

Hij schuwt het lijden evenzeer als de Epi- curist. Terwijl de Christen het aanvaardt, als een zegen, die hem sterker en beter maken zal. En ik geloof, dat de school van het lijden tot zelftucht en tot zelfveredeling leidt. Het voert elk ernstig mensch vanzelf naar zijn Gethsemane. En ineens, zonder verband, zag ik Napoleon voor me, den kleinen, moedigen korporaal, die op het slagveld bij Waterloo stond, en wist, dat alles verloren was.

De tranen sprongen me in de oogen, bij de gedachte aan al het leed, dat al op de wereld geleden was, en dat ik pas begon te begrijpen, nu ik er mijn eigen klein aandeel in had. Ik keek naar hem op, en beloofde me, dat ik hem nooit alleen zou laten. Eens, toen ik zijn eerste deel van Spinoza had meegebracht, omdat hij me gezegd had, dat hij het graag terug hebben wilde, schreef hij voorin een kleine opdracht met zijn en mijn naam, en den datum van mijn eerste bezoek aan zijn kamer. Het is een groote schat, en ik heb er heerlijke uren aan te danken.

Ik hoop, dat jij er ook van genieten zult. Maar ik vond het heerlijk een boek, dat. Ik legde de drie bandjes rond mijn schrijfcassette heen op mijn bureau, en steunde altijd mijn arm op een er van, als ik schreef; ik verbeeldde me, dat er kracht van uitging, want het werk vlotte boven ver- wachting.

En ik nam me voor, dat ik de boeken, heel dien onbegrepen schat van vernuft, zorgvuldig voor hem bewaren zou, en ze hem eerst dan terug zou geven, als het hem niet meer zou kunnen grieven door den schijn, dat ik zijn geschenk niet in waarde hield. Nooit zou een ander er aan mogen raken. Er was niemand, die van mijn bezoeken af wist.

Hem hadden ze al bijna vergeten, omdat hij zich in maanden niet had vertoond, en aan mij was uiter- lijk geen verandering te merken: Toen ik haar ging bedanken, zei ik, met een blij- moedigen lach, dat het ook zoo moeilijk was altijd aan je maaltijden te denken, terwijl er zooveel belang- rijkers op de wereld viel te doen; maar in stilte hoopte ik hartstochtelijk, dat ze geen onderzoekings- tocht in mijn kast zou hebben ondernomen, die haar alles verraden zou hebben.

Mijn proviand was volkomen weggeteerd, en ik leefde nog slechts van boterhammen en melk. Ik kon mezelf niet meer luchthartig uit eten vragen, omdat nu deze wijding over mijn leven was neergedaald, de vrienden van vroeger me hoe langer hoe vreemder werden, en buiten alles schenen te staan.

Ik liet mijn kachel niet meer aanmaken, werkte, in mijn warmen jekker gewikkeld, met mijn lamp klein gedfaaid, soms tot diep in den nacht door, en toch waren, na een week, de dertig gulden nog maar tot vijftig aange- groeid, doordat een oom, die een paar maanden geleden mijn verjaardag had vergeten, zich juist op dit allergeschiktste oogenblik mijn bestaan had herin- nerd, en me de weldaad van een postwissel van vijf en twintig gulden aandeed.

Alleen over mijn boeken had ik de vrije beschik- king; noch de juffrouw, noch mijn familie voelden veel voor de rijen gladde ruggetjes, die mij het liefste van mijn bezittingen waren, — en als mijn biblio- theekje verdween, en er beeldjes of andere snuiste- rijen voor in de plaats kwamen, zouden ze daar niets vreemds in vinden. Daarom had ik al eens, toen een van mijn vrienden een avond bij me was, hem terloops gevraagd, of hij ook boeken gebruiken kon.

Hij beloofde het, maar ik wist, dat ik er niets meer van hooren zou. Soms maakte ik het plan, het geld eenvoudig ter leen te vragen; het was toch eigenlijk maar een bagatel; niemand zou er iets tegen kunnen hebben.

Maar dan bedacht ik weer, dat ik aan al mijn intieme vrienden wel eens kleine sommetjes had geleend, en dat vragen dan den schijn van terugeischen zou heb- ben; terwijl aan anderen, — o, ik voelde het, dat 54 ik veel liever iets heel ergs zou doen, stelen, als ik er kans op za»g, dan hun met een valsch glim- lachend gezicht, alsof ik het niets vond, het geld ter leen vragen, en dan een beleefd uitwijkend antwoord te krijgen, dat erger dan een weigering was.

Wanneer ik langs de groote, mooie winkels liep, waar voor duizenden guldens waarde uitgestald lag in het zonnelicht, of 's avonds nóg verleidelijker onder de stralende lampen, — dan voelde ik een sterken drang in me, iets er van weg te nemen, en hem zóó te redden. Er was geen enkel ethisch bezwaar, dat me weerhield; ik had me vroeger, met meisjesachtige ontoegankelijkheid, voor wat niet mijn eigen levens- sfeer betrof, nooit veel om sociale verhoudingen be- kommerd, maar, door zijn zorgen leek de inrichting van de samenleving mij nu ineens zóó immoreel, dat ik graag tegen haar wetten wilde zondigen.

Als er een vrouw met ruischende rokken en met sieraden behangen, langs me ging, of wanneer de meisjes op college plannetjes maakten voor een con- cert of een comedie, dan had ik moeite hun niet toe te roepen: En ondertusschen luisterde ik gespannen, als ze een paar dagen later de uitvoering samen bespraken, om hem, en passant, en of 't me toevallig 55 inviel, een verhaal over mijn schouwburgbezoek of over mijn concertavond op te disschen, opdat hij toch nooit aan mijn zorgelooze weelde twijfelen zou.

Ik had nog eens aan de verschillende tijdschrift- redacties geschreven, met het dringend verzoek mijn schetsjes spoedig te plaatsen, en, zoo mogelijk, dade- lijk het honorarium over te zenden.

Ik overwon zelfs zóó ver mijn trots, dat ik over mijn geldgebrek sprak; maar de antwoorden, die na enkele dagen binnen- kwamen, waren van een ontmoedigende eenstemmig- heid: Uitbetaling van honorarium gebeurde nooit vóór het verschij- nen. Als ik echter geduld had. Ik zat in verbeten wanhoop, en klemde mijn handen, dat de magere vingers kraakten. De gedachte, dat ik bij hem zou moeten komen en bekennen: Wanneer hij eenmaal wist, dat ook ik finantiëele moeilijkheden kende, wanneer hij niet langer geloofde aan mijn gemakkelijken overvloed, zou hij me nooit meer toestaan iets voor hem te doen, en hij zou lijden bij de gedachte, dat ik om hem iets had ontbeerd.

Moet hij dood gaan, terwijl jij jong en sterk en snugger en mooi bent, en toch iets moet hebben, of kunnen of weten, waar geld voor te krijgen is. Maar natuurlijk zouden ze, na dien eenen romanzin, me verder beginnen te vragen: De heele geschie- denis, mijn honger- en kou-lijden voor een man, dien ik bijna niet kende, de dreigende revolver in de la van zijn bureau, was te boekachtig om ergens geloof te kunnen vinden; ik zag al weer in gedachten het beleefde wegwijken der oogen, dat ik niet uitstaan kon, de belofte te zullen inf ormeeren, Ik maakte mijn haar los en liet het over mijn rug vallen: Als ik dat eens afknippen liet!

Ken lijk, ken'nelijk in 't oog vallend, blijkbaar , bn. Ken merk kenteeken , o. Ken nen weten, verstaan, bevatten , ik heb. Ken'nis bekende, vriernl ,m. Ken nisgeving mededeeling, bericht , v. Ken'spreuk zinsjyreuk, leus , v. Ken'teeken kentnerk , o. Ken'teren kantelen,omrollen , het heeft en is -kenterd; een kast, een balk — ; — ing,v.

Ken'vermogen een der zielskrachteyi, begripsvertnogen , o. Ke'pen insnijdingen maken , ik heb -keept. Ke'per bintbalk , v. Ke'peren met een keper iveven , ik heb gekeperd; gekeperd laken, gekeperde zijde.

Ke'rel manspersoon, sterke vent , m. Ke ren den vloer reinigen met een bezem , ik heb — keerd; de meid gaat de straat —. Kerf {keep, insnijding , v. Kerfstok houtje om op aan te teekenen , m. Kerk bedehuis, tempel , v. Kerk'dorp kerspel, kerkelijke gemeente in Drente , o. Ker ker onderaardsche gevangenis , m. Ker keren in een kerker opsluiten , ik heb. Kerk hof begraafplaats , o. Kerk'kamv bonte kraai , v.

Sederland met een aartsbisdom en vier suffragaan-bisdommen is een —provincie; —recht R. Kermes' schildluis in Z. Ker mis jaarmarkt, vroeger ter gelegenheid van het feest der kerkwijding , v. Kern karnton , v. Kern pit, steen eener vrucht , v. Kern achtig pittig, vol gehalte , bn. Kers kerseboom , m. Kers kruisbloemig kruid, bitterkers , v. Ker'sebloei bloesem of het bloeien van den. Ker spel kerkdorp, parochie, kerkelijke gemeente , o.

Kerstavond de avond vóór of van Kerstdag , m. Kerstdag één der twee feestdagen van Kerstmis, nl. Kerst feest het feest van de geboorte van Christus , o. Kerst'mis christelijke feestdag van de geboorte van Christus , v. Kers'versch geheel versch , bn. Ker'vel schermbloemige plant , v.




Picer sex sadistische meesteres

  • Maar ik weet geen beter einde te vinden. Toen ik eens thee schonk op een fancy fair, waar alleen gematigde flirt en gematigder liefdadigheidszin worden getolereerd, haalde ik me een reprimande van ,,het bestuur" op den hals, door aan een alles behalve bekoorlijken Duitscher, die vroeg, of hij zich aan mijn voeten mocht neerzetten, te antwoorden:
  • 441
  • Milf masturbeert nauw kutje neuken
  • Gay massage arnhem prive ontvangst schiedam
  • 892

Sex in heerhugowaard jong kutje neuken